3. Van de Herjuwsmawei (ten zuiden van Marrum) naar Sint Jacobiparochie

3. Van de Herjuwsmawei (ten zuiden van Marrum) naar Sint Jacobiparochie

Van de Herjuwsmawei ( ten zuiden van Marrum) naar Sint Jacobiparochie 27 km

24 – 6 – 2025

Na onze koffie op de T-splising Miedweg Herjuwsmawei loop ik even samen met Saakje richting Hallum. Ik vroeg mij af waarom deze weg de Herjuwsmawei heet een vond (thuis) het volgende:

Aan het einde van de 15de eeuw waren er twee adellijke huizen te Ferwert: Cammingha state ten noorden van de kerk buitendijks en Herjuwsma state op de grote terp ten zuidwesten van het dorp binnendijks. Van de Herjuwsma’s is in de 15de eeuw zeer weinig bekend. De eerste die in de bronnen aandacht krijgt, is Gemme Herjuwsma. Nadat Saksische troepen de stins in de as hebben gelegd, ging hij in ballingschap. In 1504 keerde hij echter weer terug en liet de stins herbouwen. Acht jaar later, in 1512 werd hij van verraad beschuldigd; volgens getuigen zou hij steun hebben geboden aan Graaf Edzard van Oost-Friesland, die in het begin van de 16e eeuw een Fries Rijk probeerde te stichten. Deze graaf beheerste van 1506 tot 1514 reeds de huidige provincie Groningen. In 1512 werd Gemme (een Schieringer)  samen met zijn buurman Gerbeth Mockema (een vetkoper) beiden te Leeuwarden onthoofd. (Het maakte toen dus niet uit of je Schieringer of Vetkoper was.)  
De weduwe van Gemme, Saepk Ydsma krijgt pas in 1525 de geconfisqueerde landgoederen met de state terug. Zij verrichtte vervolgens een goede daad, door de herbouw van het Burgerweeshuis te Leeuwarden te bekostigen. Kortom de Herjuwsma’s hebben hun sporen nagelaten.

Even later lopen we op de Jouwsmabuorren richting Hallum. Vlak voor Hallum neem ik afscheid van Saak, die via de Wildlandsweg naar Marrum loopt en vandaar terug naar ons busje. Ik loop verder naar Hallum, een dorp met een rijke geschiedenis die zelfs teruggaat tot de prehistorie. 
Het dorp is ontstaan op een terp en was in de Middeleeuwen een belangrijk dorp, vooral door de aanwezigheid van het klooster Mariëngaarde. Een zeer uitgebreid verhaal over de geschiedenis van Hallum vind je op https://www.terpenenwierdenland.nl/het-verhaal/verhaal-hallum/index.html. En dat het met al die kloosters in de buurt niet altijd pais en vree was, mag duidelijk zijn als men weet dat Mariëngaarde een klooster was van de Norbertijnen (Premonstratenzers). Norbertijnen worden ook wel witheren genoemd naar hun witte habijt. De norbertijnen leven volgens de regel van Augustinus. Ze werden ook wel de Vetkopers genoemd, omdat ze,  zo wordt verondersteld,  vetweiders (slachtveefokkers) waren.
Claercamp was van de Cisterciënzers, die ook wel de Schieringers werden genoemd naar hun grijze habijt. Zij leefden volgens de regels van Benedictus, al waren de Cisterziënzers wel een afsplitsing van de Benedictijnen. Het zijn beide katholieke kloosterorden, maar de Cisterciënzers streefden naar een strengere naleving van de regel, met meer nadruk op armoede, eenvoud en arbeid, en distantieerden zich van de rijkdom en wereldse gezindheid van sommige Benedictijnse kloosters, vooral die van Cluny. Als je weet dat in de 14e eeuw de Schieringers en de Vetkopers elkaar regelmatig de hersens in sloegen, dan was er voor vrede op aarde en in de mensen een welbehagen weinig plaats.
Neemt niet weg dat de kloosters een belangrijk aandeel hebben gehad in de ontwikkeling van het gebied waarin ze stonden, maar soms ook ver daarbuiten. Hallum zal in ieder geval geprofiteerd hebben van het klooster Mariëngaarde, al werd de kerktoren wel in 1464 in brand gestoken tijdens de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers. ( Vlak voor de stichting van de kloosters was dat ook al eens gebeurd, maar toen ging het om een ruzie tussen twee families. )  

Maar ik verwijs nogmaals naar bovengenoemde website, die niet alleen een prachtig beeld geeft van de geschiedenis van Hallum, maar in feite ook over het hele terpen landschap vanaf Stiens tot aan Holwerd.

In Hallum kom ik langs het monument van Jan Schaap, een huisarts die hier praktiseerde van 1932 – 1943. Een bijzonder liefdevol filmpje over de dokter, die in 1943 is verongelukt, kun je vinden op https://www.hallumonline.nl/actueel/documentaire-dr-jan-schaap-online. Ook al is de film niet diepgaand, de bewondering voor deze huisarts straalt ervan af en het is mooi dat Hallum nu ook weet waarom dat monument daar staat.

Ik loop een driekwart rondje om de kerk, de Grote- of Sint-Maartenkerk. Deze was oorspronkelijk gewijd aan Martinus van Tours. Hoewel iedereen wel eens met een lampion gelopen heeft (het Sint Maartensfeest op 11 november) weten maar weinig mensen waarom dat feest zo heet: Het is een traditie die teruggaat op de legende van Sint Maarten, een Romeinse soldaat die zijn mantel deelde met een bedelaar. Een daad van barmhartigheid. De lampionnen, die de kinderen dragen, symboliseren het licht dat Sint Maarten zou hebben verspreid, en de tocht langs de deuren herinnert aan de zoektocht naar hem toen hij zich schuilhield. 
Martinus werd omstreeks 316 geboren uit heidense ouders in Pannonië (Hongarije). Als jonge Romeins legionair bekeerde hij zich tot het christendom, werd geloofsleerling en ontving uiteindelijk het doopsel. Later stichtte hij een klooster te Ligugé bij Poitiers, waar hij onder leiding van de heilige Hilarius als monnik leefde. Na zijn priesterwijding werd hij in 372 tot bisschop van Tours gekozen. Martinus had als bisschop een grote voorliefde voor de armen. Hij stichtte nog andere kloosters en onderrichtte de geestelijkheid van zijn bisdom. Nadat hij in de parochie van Candes de vrede onder ruziënde geestelijken had hersteld, stierf hij onderweg naar huis op 8 november 397. Hij werd begraven op 11 november. (met de lampionoptocht vieren we in feite zijn begravenis.)  Zijn graf ligt in de kathedraal van Tours. Hij was de eerste niet-martelaar die als heilige werd vereerd.

In het schip van de kerk van Hallum zijn verschillende steensoorten gebruikt. De oudste steensoort van de kerk is terug te vinden in de noordelijke aanbouw en waarschijnlijk is dit gedeelte al in de 12e eeuw gebouwd. Het betreft hier tufsteen, een gesteente dat is ontstaan door aan elkaar gekitte vulkanische as. In de Middeleeuwen werden grote hoeveelheden van deze steen aangevoerd vanuit de Duitse Eifel. Deze steensoort werd in veel Romaanse kerken toegepast. Het was als het ware de voorganger van de baksteen. Dat de baksteenfabricage in het houtarme Noord-Nederland relatief laat op gang kwam, had te maken met de onvoldoende aanwezigheid van brandstof. Om stenen te kunnen bakken heb je veel brandstof nodig en die was schaars in de boomloze kwelders. Pas toen de kloosters uithoven gingen stichten in gebieden waar turf kon worden gewonnen (het klooster Mariëngaarde deed dat door hoogveen in de omgeven van Bakkeveen te winnen), kwam er meer brandstof voor handen voor het bakken van steen. De eerste baksteenfabricage zal dan ook pas in de  13de eeuw hebben plaats gevonden. Het romano-gotische schip (van baksteen) met spitsboogvensters dateert dan ook uit de 13e eeuw. Naast deze kerk kent Hallum ook nog de gereformeerde kerk De Hoeksteen uit 1912. Maar daar kom ik niet langs.

Na mijn driekwart rondje om de Grote Kerk, kom ik door Lange Buorren van Hallum, een mooie straat met hier en daar interessante gebouwen. Aan het eind van de Lange Buorren, maak ik nog even een uitstapje naar de haven van Hallum. Daar vind ik op de kop van de haven het borstbeeld van pastoor Freark van Hallum. Die staat er niet voor niets: (citaat) Frederik werd geboren te Hallum. Na studies aan de Domschool te Münster werd hij pastoor in zijn geboorteplaats. Hij muntte uit door een grote zielenijver en leidde een leven van strenge boetvaardigheid. Na de dood van zijn moeder trad hij in de orde der premonstratenzers en stichtte de abdij Mariëngaarde, welke onder zijn leiding tot grote bloei kwam. Daarnaast oefende hij een gunstige invloed op zijn omgeving uit. Hij bracht de edelen ertoe hun twisten te beslechten en toonde zich een vader voor armen en ongelukkigen. Hij stierf in het jaar 1175.  

Na mijn bezoek aan Freark ga ik terug en loop even later via de Doniaweg het dorp uit. Ik maak nog even een klein ommetje over de oude Doniaweg en vind daar aan het eind een woning die gedeeltelijk met de stenen van het voormalige klooster Mariëngaarde is gebouwd. Via de  Mariëngaarderweg, kom ik daarna op de Roodschuursterlaan. Ik sla rechtsaf, maar moet al na vijftig meter weer linksaf. Het blijkt dat ik daar weer op de Mariëngaarderweg zit. Na een kwartiertje lopen, zie ik een bord aan de linkerkant van de weg dat informatie geeft over het Jabikspaad. Kleaster en Mariëngaarde staat er op de twee palen (de hommeije) aan het begin van de oprijlaan.
Hoewel ik het Jabikspaad vanaf Sint Jacobiparochie naar Hasselt gelopen heb, ben ik hier niet langs gekomen. (Enig onderzoek wijst uit dat het Jabikspaad vele paden kent. Als je vanuit Zwarte Haan de oostelijke route volgt kom je hier langs. Maar de oostelijkste route start zelfs in Uithuizen in Groningen. Het kan verkeren.)
Halverwege de oprijlaan naar de boerderij, vind ik het herinneringsmonumentje van het klooster Mariëngaarde.. Om eerlijk te zijn, stelt het niet veel voor. Wel zijn er twee grote stenen in gemetseld met daarop de Friese teksten: ‘Kleaster Mariengaard 1163 – 1580’ en op de rechter steen ‘Stifter Freark Fan Hallum’. Volgens mijn beschrijving kun je daar ook een stempel halen, maar het apparaat blijkt niet meer te werken. In ieder geval werd het klooster tijdens de reformatie, net als zoveel andere kloosters, in 1580 afgebroken.
Op de plaats van de boerderij staat, stond dus vroeger het klooster. Het is moeilijk voor te stellen dat hier toen 180 kloosterlingen verbleven. Na 1580 bleef het terrein  een tijd onbewoond, waarna er dus een boerderij werd gebouwd. Heb overigens niet het idee dat dat de boerderij is die er nu staat.  

Na mijn bezoek aan het monumentje loop ik via de Monnikebildtslaan en de Vijfhuisterdijk richting de zeedijk. Maar voor ik daar ben, passeer ik bij de afslag Ouwe Syl nog een paal met daarop een keurig wapen met drie schelpen. Ik heb helaas de betekenis niet kunnen vinden.
Daarna kom ik door Vijfhuizen, een buurtschap, dat inderdaad uit vijf huizen bestaat. Ik raak daar in gesprek met een bewoner, die mij vertelt dat de naam Vijfhuizen volgens hem niets met vijf huizen te maken heeft. Hij wijst mij de open stukken aan waar volgens hem diverse arbeidershuisjes hebben gestaan en als ik dat allemaal bij elkaar optel kom ik op minstens twaalf huizen. Maar helaas moet ik deze bewoner corrigeren. Vijfhuizen is namelijk ontstaan tussen 1915 en 1920 toen er vijf huizen werden gebouwd. Dat er daarna nog meer werden gebouwd en ook weer afgebroken heeft dus geen invloed gehad op de naam. Maar dat wist ik nog niet toen ik met hem in gesprek was. Als ik hem vertel dat ik langs de zeedijk naar Zwarte Haan loop en vandaar naar Sint Jacobiparochie, schudt hij zijn hoofd. Nei Swatte Haan is dan nog wol 8 kilometer, zegt hij. “Jow kinne folle better hjir links of slaan, dat is een stik koarter.” Maar ja, dat is niet de bedoeling
Ik loop verder en begin bij de afslag toch even te aarzelen. Ik heb een kaartje bij me, dat toch wat onduidelijk is. Op dat moment stopt er een auto achter me en er komt een oud mannetje ( waarschijnlijk van mijn leeftijd) uit de auto en vraagt: “Kinne jo d’r wat uutkomme?” Ik wijs hem op mijn kaartje en zeg dat ik even twijfel hoe ik nu via het Kweldercentrum bij Zwarte Haan kom. “Gewoan rjochtuut,” zegt de aardige man en stapt weer in de auto. Rechtuit dus.
Ik kom op een fietspad terecht , waar ook schapen lopen. En dat heb ik geweten. Slalommend om de enorme aantallen keutels bereik ik uiteindelijk de zeedijk waar ik linksaf sla. Maar ook daar ben ik nog niet van de keutels af.
Ik heb de wind hier pal tegen en besluit naar de andere kant van de dijk te gaan. Daar waait het echter even hard en ik ga maar weer aan de binnenkant van de dijk lopen.
Na een dikke kilometer kom ik bij het Kweldercentrum. Op een bord van It Fryske Gea lees ik: ‘Kweldercentrum gratis toegang’ en met daaronder nog een kopje koffie en het woordje wc. Omdat ik mede door de inspanningen van het lopen tegen de harde wind in, toch wel enige aandrang heb, besluit ik daar een kijkje te nemen. En het moet gezegd, ze hebben het daar bij It Fryske Gea prima voor elkaar. Want hoewel er geen mens is, kan ik rustig even over de tentoonstelling lopen en last but not least even gebruik maken van een schoon toilet. Op de deur van de wc staat dat het op prijs gesteld wordt als je dan een kleine geldelijke bijdrage levert en dat lijkt mij niet meer dan gerechtvaardigd. Naar het bakje hoef ik niet lang te zoeken. Op een tafeltje in de gang staat een grote schaal met daarin tientallen muntjes. Zoiets vervult mij nog altijd met blijdschap. Bij It Fryske Gea hebben ze nog vertrouwen in de mensheid en dat doet mij deugd. Ik leg dan ook met een glimlach op de lippen mijn muntje op de schaal en ga naar buiten om daar op een bankje mijn meegenomen chocolademelk te nuttigen. Binnen had ik koffie uit een automaat kunnen krijgen, maar daar hoefde ik geen gebruik van te maken.

Na de chocolademelk loop ik weer even de dijk op en maak een foto van het kweldergebied . Het is het gebied het Noarderleech dat in 2006 wereldberoemd werd toen er meer dan 200 paarden door het hoge water raakten ingesloten. Een paar meisjes op paarden wisten de paarden uiteindelijk mee te lokken naar de vaste wal, een beeld dat de hele wereld over ging. 25 Paarden overleefden het niet. Zie: https://www.youtube.com/watch?v=w_BLSHl3EXU&list=PLQ-TN_M4TSxMc77Q_WNcss8c6WTn6762k&index=7

Voor alle duidelijkheid even een citaat: ‘een kwelder is een begroeid, buitendijks gebied dat direct grenst aan zee en regelmatig wordt overstroomd door zeewater, vooral bij hoogwater en storm. Het is een dynamisch ecosysteem met een hoge natuurwaarde, doordat er unieke zouttolerante planten groeien en het fungeert als overgang tussen water en land. In Zuidwest-Nederland wordt een kwelder vaak een schor genoemd’.
Je kunt daar wandelen, heb ik begrepen. Zelf heb ik een aantal keer Wad-gelopen. Dat is prachtig, al moet je niet opzien tegen de blubber. Eenmaal midden op het Wad heb je daar trouwens geen/minder last van en hoor je alleen het kabbelen van het water in de kreken en kreekjes die door het terugtrekkende water tijdens eb gevormd worden. Kortom als je ooit in de gelegenheid bent en je bent er lichamelijk toe in staat, moet je dat zondermeer eens doen.

Ik loop verder naar Zwarte Haan (met elkaar loop ik wel 9 kilometer pal tegen de bijna stormachtige wind in langs de zeedijk), maar zie nog geen kilometer na het Kweldercentrum plotseling een rood busje. Daar zit Saak in de luwte van ons busje op een bankje te wachten tot ik voorbij kom. Ik ga even zitten, maar omdat ik net al een pauze gehad heb, neem ik vlug weer afscheid en vervolg mijn weg door een klaphekje. Nog zeven kilometer naar Zwarte Haan. Daar ben ik vorig jaar nog eens op de motor geweest. Een mooi plekje voor een kopje koffie, al zit dat er vandaag niet in.

Als je zo langs de dijk loopt, lijkt de weg eindeloos en lijkt het kleine bosje in de verte maar niet dichterbij te komen. Daar moet ergens Zwarte Haan zijn. Een paar fietsers stuiven mij voorbij. Zij hebben de wind in de rug en hoeven nauwelijks te trappen. Ik loop wat voorovergebogen verder en zie vooral asfalt en schapenkeutels. Zo nu en dan kijk ik op, maar niet al te vaak. Dat is alleen maar frustrerend, omdat ik voor mijn idee nauwelijks dichter bij dat bosje in de verte kom.
Plotseling zie ik een groot aantal pinken in een moderne ‘jister’ (omheinig) staan. Waarom ze daar staan, weet ik niet, maar ik maak er een foto van. Ik ben niet de enige. Een man op een fiets doet hetzelfde.

Als ik weer opkijk zie ik dat het bosje in de verte een stuk groter geworden is. Ik nader Zwarte Haan en loop de laatste kilometer langs de Wadkant. Ik weet dat als ik hier doorloop, ik bij de bankjes van Anita Andriessen kom, die daar als eerbetoon voor haar zijn neergezet. Deze veel te vroeg overleden Bildtse PvdA-politica was geliefd bij de bevolking en kwam hier vaak om even uit te waaien. Zij gaf als gedeputeerd veel om de kwaliteit van de ruimte, een tekst die als ‘Om de kwaliteit fan de romte’  op één van de bankjes terug te vinden is. En op het andere bankje staat ‘1957*Anita Andriessen*2008’. Ik heb al eerder op één van de bankjes gezeten, maar het maakt mij ook nu weer een beetje triest. Ik heb haar als oud PvdA-lid meegemaakt en had veel respect voor haar. In haar auto met de tekst ‘It Bildts Rosie’ reed ze de hele provincie door en was ze bij heel veel mensen geliefd.
Daarna maak ik een foto van de slikwerker: Een beeld dat een eerbetoon is aan al die harde werkers die It Bildt met de schop en kruiwagen hebben drooggelegd in de periode van 1505 tot 1754. Maar ook aan de mannen die in de crisisjaren 1930-1938 en daarna nog dagelijks naar het slik fietsten om land te winnen op de zee
Toegegeven, tegenwoordig zouden we er anders tegen aan gekeken hebben, maar toen was het voor veel mensen een mogelijkheid om vooruit te boeren.

Daarna laat ik het restaurant Zwarte Haan links liggen en loop verder over het fietspad met de naam Kaatsgat. Daarbij kom ik langs de Kouwe Faart, een naam die niets aan de verbeelding overlaat. Aan het eind van het fietspad kom ik al weer ons busje tegen, maar ik houd het deze keer op een korte begroeting. Ik moet nog een dikke vier kilometer en verlang nu al naar de koffie met appelgebak die we bijna traditioneel na afloop van een route nuttigen.  

Na 2,5 kilometer over de langste straat van Friesland (goed 12 km) kom ik na het bord Westhoek bij ’t Sandpad. Daar moet ik linksaf en loop daarna met de nodige bochten naar Sint Jacobiparochie. Hier eindig ik bij de prachtige kerk van dat dorp, De Groate Kerk. Ik weet nog goed dat ik daar op 1 april 2022 het Jabikspaad begonnen. Er lag toen sneeuw en het was ontzettend koud. 

Maar toch nog even heel kort wat over de Groate Kerk. Deze werd hier in 1844 gebouwd naar ontwerp van Thomas Romein in een verbasterde Empirestijl (dat heb ik niet zelf verzonnen). Dat zal o.a. met de pilaren te maken hebben. Daarvoor stond er vanaf 1530 een andere bakstenen kerk. Sinds 2011 is er een pelgrimsinformatiecentrum in gevestigd. Bijzonder is dat er in deze kerk mag worden gelogeerd door pelgrims. Het is nu vooral een cultureel centrum.

Slotwoord: Dankzij het Claercamppad weet ik nu dat de streek ‘vergeven’ was van de kloosters. En hoewel ik als ongelovige niet veel met het Christendom op heb, kan ik mij nog wel kwaad maken over de reformatie, waardoor er zoveel prachtige gebouwen zijn verdwenen. Met terugwerkend kracht zou je de protestanten van toen kunnen betichten van een ernstige vorm van vandalisme.  En ook al was het maar een korte route (75 km), Ik heb noordwest Friesland weer een beetje beter leren kennen. Conclusie: het was de moeite waard, al moest ik mij wel heel goed voorbereiden voor ik aan een etappe begon. De beschrijving die ik had was namelijk wel erg summier. Maar het was niet anders en het was een mooie tocht. En last but not least: ik ben er niet door bekeerd.

Geef gerust je reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Back to Top