Van Dokkum naar de Herjuwsmawei onder Ferwert 25 km
16 – 06 – 2025
Het is tien voor negen als we ons busje parkeren op het parkeerterrein bij het Bowling en Zalencentrum aan de het Dokkumergrootdiep (Dokkumer Grutdjip). Deze voormalige slenk van de toenmalige Lauwerszee was met de benedenloop, het Dokkumerdiep, vroeger de verbinding tussen de stad Dokkum en de open zee.
Na de koffie zwaait Saak mij uit en begin ik aan de tweede etappe van het Claercamppad. De eerste paar kilometer komen mij niet onbekend voor, omdat ik die al eens eerder gelopen heb, toen ik het Zevenwoudenpad liep. Omdat ik lopend op het fietspad niets zie van het Dokkumer Grootdiep besluit ik om toch maar over straat te lopen. Daar heb je tenminste een mooi gezicht op deze waterweg en bovendien op de soms heel aardige bootjes. Bij Restaurant Steakhouse de IJsherberg ( een mooi gebouw met vast niet de oorspronkelijke naam) steek ik de Halvemaanspoortbrug over en wordt verwelkomd door een groot kanon. Ik bevind mij in de voormalige vesting, dat is wel duidelijk. Deze is hier gebouwd omdat Dokkum in 1572 ( van 12 – 15 september) te lijden had van de Waalse Furie.
Een geuzenleger had namelijk met behulp van boeren en burgers de stad ingenomen. Maar dat heeft niet lang geduurd. Waalse troepen in Spaanse dienst maakten daar een eind aan. Dat ging met veel bloedvergieten gepaard. De stad werd geplunderd en een gedeelte werd platgebrand. Ongeveer de helft van de bevolking kwam daarbij om het leven, waarbij er geen onderscheid werd gemaakt tussen katholieken en niet-katholieken. Een spannend verhaal daarover is te lezen op Wikipedia. Typ in ‘Waalse Furie in Dokkum’ en je krijgt het hele verhaal te lezen.
Toen Dokkum in 1580 door de staatse troepen werd heroverd, gaf Prins Willem van Oranje de opdracht Dokkum van een vesting te voorzien. Deze is hier rond 1585 aangelegd en dat is tot op de dag van vandaag nog duidelijk te zien.
Maar laat ik eerst nog even wat vertellen over Dokkum zelf. Over de oorsprong van de naam Dokkum zijn verschillende verklaringen in omloop. Sommigen denken aan een combinatie en samentrekking van de Friese mansnaam ‘Docko’ die hier een erf of ‘heim/hiem’ zou hebben bezeten. Anderen associëren Dokkum met ‘Tockingen’, dat is een ‘nederzetting aan een tocht of stroom’. Vermoedelijk was rond 300 op de plek waar Dokkum nu is al een kleine nederzetting te vinden. Maar Dokkum kwam pas goed op de kaart na 754 toen hier volgens de verhalen Bonifatius en zijn 52 metgezellen werden vermoord. Ik kom daar straks nog op terug
Tot halverwege de zeventiende eeuw lag Dokkum aan de open zee en was het een belangrijke internationale handelsstad. Het kreeg al vroeg stadsrechten. Omdat de slenk Het Grootdiep begon dicht te slibben, werd in de jaren 1654-1656 in opdracht van het stadsbestuur van Dokkum het laatste traject van de Stroobossertrekvaart, ook wel Dokkumer Trekvaart genoemd, aangelegd (Het eerste deel werd al in de 16e eeuw aangelegd). Bij Gerkesklooster sluit deze aan op het Prinses Margrietkanaal en het Van Starkenborghkanaal.
Het stadsbestuur van Dokkum dacht door een nieuwe verbinding over het water met Groningen opnieuw scheepvaartverkeer aan te trekken. Naast de trekvaart werd een jaagpad aangelegd voor de paarden die de trekschuiten vooruit moesten trekken. Maar de aanleg bleek voor Dokkum een brug te ver. Om de aanleg te kunnen bekostigen hadden ze namelijk al alle gronden buiten de stadswallen moeten verkopen aan de aangrenzende gemeenten. En toen daarna ook nog de tolgelden tegenvielen, ging de stad zo goed als failliet. Sindsdien staat Dokkum bekend als Arm Dokkum. Het zal veel mensen getroffen hebben, want Dokkum was in die tijd de dichtst bevolkte gemeente van Nederland. Gelukkig heeft het het aanzien van Dokkum niet geschaad, want de vroegere rijkdom straalt je nog altijd tegemoet. Al zijn er uitzonderingen.
Want nadat ik bij de IJsherberg de oude stad ben binnengekomen, loop ik nog even verder langs het Dokkumer Grootdiep. Bij een splitsing moet ik links aanhouden en wat mij opvalt, is dat er op dat punt een oerlelijk stukje nieuwbouw gerealiseerd is. Ik schud mijn hoofd en vraag mij af hoe dat toch in zo’n prachtige stad mogelijk is. Ik vind het een schandvlek op het aanzien van Dokkum.
Gelukkig loop ik daarna langs het oude Admiraliteitshuis ( waarin nu Museum Dokkum zit). Toen er in 1597 een havenplaats gezocht werd van waaruit de vloot ter verdediging van noord Nederland gevestigd kon worden, werd Dokkum als Admiraliteitsstad aangewezen. Het Admiraliteitshuis is het enige nog bestaande admiraliteitsgebouw in Nederland.
In 1646 werd de vloot verplaatst naar Harlingen in verband met het dichtslibben van het Dokkumerdiep.
Ik sla bij Hotel restaurant de Posthoorn rechtsaf en loop richting De Waag. Deze werd in 1754 gebouwd als boterwaag en verving een eerder bouwwerk uit 1593. In het gebouw was aan de zuidkant ook de militaire wacht gehuisvest. Aan de noordkant (waar het wapen van Dokkum op de gevel staat) was oorspronkelijk de boterwaag gevestigd. Op de gevelsteen staat de tekst “Weegt en Waakt”, wat direct iets zegt over de oorspronkelijke dubbele functie van de Waag als weeg- en waakgebouw. Op de zuidgevel staat het wapen van Friesland tussen twee leeuwen. In de Waag zit nu een restaurant (grand café).
Ik loop verder en kom even later langs de IJsfontein. Ik citeer: De IJsfontein is een speelbal van de elementen en geen dag hetzelfde. IJs tekent patronen op de koperen huid van de sculptuur, lees ik op internet. De mate waarin de fontein ijslagen vormt of niet, is afhankelijk van de zon, luchtvochtigheid, temperatuur, wind en neerslag.
Nou in ieder geval niet op 16 juni 2025. Het ding stond er wat te dampen, maar ik heb geen flintertje ijs waargenomen.
Na mijn tocht door de prachtige binnenstad (in het boek de Geschiedenis van Dokkum zal er ongetwijfeld veel over geschreven zijn) loop ik via de Kettingbrug (waar geen ketting te zien is) naar de Woudpoortbrug. Daar verlaat ik het oude vestinggedeelte.
Ik loop daarna even langs de Bonifatius fontein, één van de bronnen die Dokkum rijk is. Wat de ware bron is, is niet duidelijk, maar het verhaal wil dat Bonifatius met zijn staf op de grond stampte en dat direct daarna het water uit de grond spoot. Nu staat er op deze plaats een pomp, waarbij het hengsel aan de pomp zelf is vast gelast. Aardig is het om te weten dat het water vooral gebruikt werd om er bier van te maken en daar waren ze in Dokkum behoorlijk succesvol in.
Omdat men op de Markt en in de Boterstraat (met de Fetze Fontein uit 1712) ook bronnen ontdekt heeft was/is er veel misverstand over wat de ware bron is. En daarom citeer ik toch maar even een gedeelte uit het epistel van Warner B. Banga & Piet de Haan getiteld: De Ware Bonifatiusfontein: ‘Over wat nu de ware bron was, is altijd veel verwarring geweest. Volgens een oude levensbeschrijving van de martelaar werd de bron geslagen door de heilige zelf toen hij met zijn bisschopsstaf op de grond sloeg en het water opspoot. In een tweede versie zakte het paard van een opzichter bij het opwerpen van de gedachtenisterp weg in de drassige grond en ontstond een bron met helder water. Net buiten de stadswallen ligt echter de bron die al sinds mensenheugenis de Bonifatius-bron genoemd wordt. Aanvankelijk een simpele poel in de weilanden, maar later ommuurd en via een sloot kon het water zelfs afgetapt worden bij de Bonifatiuspomp (Bonifatius Fontein) aan de Zuidergracht. Dit is de ware bron waaruit de Dokkumer bierbrouwers al vóór de 17e eeuw het water voor hun vermaarde biertje haalden. Toen het katholieke geloof na de Reformatie passé was, noemden de protestantse brouwers hun bron de ‘Fonteinsbron’, ook al werd het gildebestuur ieder jaar nog steeds op Bonifatiusdag gekozen. Proost!
Een mooi verhaal dat ik jullie toch even mee wilde geven. In ieder geval kom ik na de pomp langs de ‘ware bron’ met daarbij het standbeeld van Bonifatius en de Bonifatiuskapel met zijn prachtige processiepark en 14 kruiswegstaties. (De kapel is een (half) openlucht gebouw en wordt gebruikt voor vieringen, maar ook voor culturele activiteiten en is te huur voor o.a. bruiloften. Elk jaar komen er tussen de 25.000 en 40.000 pelgrims naar de stad om de kapel te bezoeken. De kapel is van 1 juni tot 15 sept dagelijks geopend van 14.00-17.00u. Entree is gratis. ) Ik maak er geen gebruik van. Maar als je er nog geen genoeg van hebt kun je in de historische binnenstad van Dokkum nog een bezoek brengen aan de RK Bonifatiuskerk en aan de Bonifatius tentoonstelling in Museum Dokkum.
Ik loop naar de bron en steek onder het motto’ Baat het niet het schaadt ook niet’ toch maar weer even mijn hand in het wateren en strijk wat water op mijn voorhoofd. Toen ik dat bij een vorige bezoek ook had gedaan heb ik daar niets nadeligs van ondervonden, dus waag ik het deze keer maar weer. Bonifatius ziet het toch niet. Die blijft als versteend zijn hoofd met de bijbel beschermen, terwijl hij met zijn rug naar de bron en de kapel gekeerd staat. Dat vind ik toch wel een beetje raar.
Over Bonifatius is al veel geschreven en er zijn Historici die denken dat Bonifatius op een heel andere plaats vermoord is en dat de plaats Dokkum een fantasie van Middeleeuwse schrijvers is. Albert Delahaye merkt namelijk op: De heilige Bonifatius is vermoord bij Dockynchirica, op zo’n 35 km van het Franse Duinkerken. De fabel van Dokkum zou zijn ontstaan in de 13e eeuw en werd verspreid door een bisschop van Utrecht: Dockynchirica werd ingekort tot Dokkum en de moordplaats werd zo ruim 400 km verlegd naar het noordoosten. Feit is dat Dokkum (het klinkt wat gek) met al die bedevaartgangers veel ‘plezier’ aan de moord beleefd. En omdat zelfs calvinisten Bonifatius niet meer kwijt willen, laat ik het maar zo.
Ik loop terug naar de Woudpoortbrug, waar ik aan de overkant bij een leugenbankje ook nog een kanon ontdek. Ik vind het niet echt indrukwekkend.
Boven het leugenbankje zie ik de tekst: Je mutte mar hoare wie ’t seit. ( Het betekent dat de waarde of geloofwaardigheid van een uitspraak afhangt van wie de uitspraak doet.)
Na het leugenbankje loop ik verder naar Molen De Hoop, een achtkante stellingmolen, die werd gebouwd in 1849. De molen was aanvankelijk ingericht als pelmolen (om gerst te pellen). De wieken van ‘De Hoop’ hebben een vlucht van 22,75 meter en is daarmee één van de grootste molens van Dongeradeel.
Daarna loop ik over de voormalige verdedigingswal naar molen Zeldenrust. Deze werd gebouwd in 1862 en is ook een achtkante stellingmolen. De functie is koren- en pelmolen. Tot 1861 stond hier de Driepijpstermolen. Die werd in dat jaar door brand verwoest.
Na Zeldenrust loop ik over de Voorstreek langs de Dokkumer Ee. Daar ben ik voorlopig nog niet van af, al loop ik net buiten Dokkum wel even verkeerd over een gloednieuw fietspad. Op dat moment is de Dokkumer Een niet zichtbaar en ik laat mij verleiden door het nieuwe fietspad dat ook nog langs een (ogenschijnlijk) riviertje loopt. Ik vind het al wat smal, maar omdat een fietspad rechtdoor voor mijn gevoel weer terug loopt, waag ik het er op. Gelukkig kom ik na een vijfhonderd meter aan het eind van ‘het riviertje en weet ik zeker dat ik toch echt verkeerd gelopen ben. Het is niet anders. Als ik na een kwartietje weer op hetzelfde punt terug ben, neem ik eerst mar even een bekertje chocolademelk. Die smaakt mij gelukkig prima.
Daarna kom ik met een grote bocht bij de echte Dokkumer Ee, die mij nu van verre wel opvalt omdat er boten doorvaren. En dan is het ‘gaan met die banaan.’ Meer dan vier kilometer loop ik langs de Dokkumer Ee, met daarbij wel een uitstapje naar de plaats van het voormalige klooster Claer Camp. Dat bevindt zich op een dikke 1200 meter van de brug Klaarkamp en ik ben heen en terug met een kleine pauze 40 minuten kwijt. Ik zie dat de ‘hommeije’ (de palen aan weerszijden van de inrit) de namen Claer en Camp dragen. En verder zit ik tegen de achterkant van een boerderij aan te kijken.
Maar toch maar even de geschiedenis van dit beroemde klooster: De broeders die hier in 1165 begonnen met de bouw van hun nieuwe onderkomen waren lid van de orde van de cisterciënzers. Een relatief nieuwe kloosterorde die in 1098 was opgericht in Frankrijk. De eerste broeders van het nieuwe klooster kwamen dan ook uit Frankrijk. Om precies te zijn uit het klooster van Clairvaux. Voor de bouw van hun klooster maakten de monniken gebruik van de grond rondom de terp. De kleigrond bleek namelijk uitermate geschikt voor het bakken van de stenen die we nu kennen als kloostermoppen. En zo ontstond niet alleen het eerste cisterciënzersklooster van Nederland, maar ook het eerste bakstenen gebouw van ons land sinds het vertrek van de Romeinen.
Klooster Claercamp maakte vrijwel onmiddellijk een tijd door van grote bloei. Het klooster werd rijk, onder andere door het steken van turf, maar groeide ook nog eens enorm. Het kloosterterrein zelf ging van 5 naar 60 hectare en kreeg flink wat bijgebouwen. Maar ook de bezittingen daarbuiten groeiden enorm. Meer dan 2000 hectare grond en tientallen boerderijen hoorden halverwege de 14de eeuw bij Claercamp.
Het meest opmerkelijke bezit was misschien wel het waddeneiland Schiermonnikoog. Dat eiland heeft zijn naam te danken aan de grijze kappen die de monniken droegen. Vanwege de kappen werden de cisterciënzers in Friesland Skiere mûnsen genoemd, wat grauwe monniken betekent.
Aan de groei van het klooster en de bijbehorende macht kwam tijdens de 80-jarige oorlog vrij abrupt een eind. Door de grootte van het klooster en zijn brede grachten was Claerkamp van militaire betekenis geworden. De staten van Friesland waren bang dat de Spanjaarden het klooster zouden gebruiken als uitvalsbasis voor de aanvallen in Noord-Nederland. ( Omdat bijna alle kloosters werden afgebroken, is het de vraag of dit echt de reden was.) Op 31 maart 1580 besloten ze dat Claerkamp zo snel mogelijk moest worden opgeheven. De monniken werden verplicht met pensioen gestuurd en de gebouwen werden steen voor steen afgebroken.
Maar er is op de palen Claer en Camp na niets meer wat aan het klooster herinnert. Een beetje teleurgesteld, loop ik terug en zie dan op mijn papiertje dat er ook nog een dikke steen moet liggen. Die heb ik nergens gezien, maar ik besluit wel om er straks met ons busje nog even langs te rijden.
Nadat ik weer over de brug Klaarkamp gekomen ben, mag ik weer langs de Dokkumer Ee. En het moet gezegd, maar dat is bepaald geen straf. Wat ligt dat riviertje er prachtig bij. Geen wonder dat er door watersporters dankbaar gebruik van gemaakt wordt. Wat overigens opvalt aan watersporters is dat zij bijna altijd op hun kont zitten en ‘nietsziend voor zich uit zitten te kijken’. In ieder geval gaat deze ‘sport’ niet gepaard met een grote lichamelijke activiteit. (Dan heb ik het niet over kleine zeilbootjes, maar die heb ik hier niet gezien). Maar ik gun ieder z’n plezier.
In de buurt van Jannum verlaat ik de Dokkumer Ee en loop via Reitsum en Ginnum naar Hegebeintum. Van Jannum, Reitsum en Ginnum had ik nog nooit gehoord, maar ook daar leven mensen hun leven en zijn gelukkig. Het zijn allemaal dorpen die zijn gebouwd op en rond de Flieterpen. Een verklaring voor de naam kan zijn dat het vluchtterpen zijn, maar in feite zijn alle terpen dat. In ieder geval zijn ze stokoud. Soms al van voor onze jaartelling. In Jannum heb je een kerkje waarvan het oudste gedeelte al uit de 13e eeuw dateert. In de kerk is nu een museum gevestigd. Wat opvalt is dat de kerk geen toren heeft maar een uitbouw met daarin een bel.
Ik zal verder niet al te veel vertellen over deze dorpen, maar één verhaal vond ik toch te mooi om hier niet op te schrijven.
Het dorp Reitsum heeft een Hervormde kerk die dateert uit 1738. Deze driezijdig gesloten zaalkerk kreeg in 1874 een geveltoren en in 1881 een noordelijke aanbouw.
Voor de Reformatie werd Reitsum bediend door het klooster Mariëngaarde bij Hallum. Een Norbertijner klooster van 1163. ( De Norbertijnen werden ook wel de vetkopers genoemd.) Bij de uitbreiding van het dorp is aan de noordzijde van de kerk een stuk aangebouwd. Dit had te maken met het feit dat de preken van dominee J.J.A. Ploos van Amstel nogal wat toehoorders trokken. Door hem kreeg Reitsum (waarschijnlijk als enige kerk) een slot op de preekstoel. Dat is er tijdens de Doleantie (1886) opgezet. Ploos van Amstel was namelijk een Friese voorman van de Doleantie. Hij preekte rustig door, hoewel de dominees van de ring Holwerd waren opgedragen om op zondag in Reitsum te preken. Het gebeurde dan wel dat Ploos al op de preekstoel stond als de ringdominee arriveerde. Om dit te voorkomen werd een slot op de preekstoel gezet. De ringdominee had de sleutel bij zich. (Maar het kan raarder, want in de tijd van de Schieringers en de Vetkopers, in de 14e eeuw, sloegen ze elkaar de hersens nog in. Al heb ik niets kunnen vinden van enige strijd tussen Mariëngaarde en Claercamp.)
Het dorp had ook een Gereformeerde kerk. Deze dateert uit 1896 en werd in 1981 gesloten als kerk. Later is het een dorpshuis geworden.
En in Ginnum steekt de kerk ogenschijnlijk als een baken in zee stijl uit het landschap omhoog. Maar dat is vooral zo gekomen omdat men de rest van de terp heeft afgegraven. De stokoude 12e eeuwse kerk ligt dan ook midden in het dorp op een terprest, die dateert uit de IJzertijd (dat is van voor onze jaartelling). Vandaag de dag wordt de kerk verhuurd aan beeldende kunstenaars.
En dan loop ik even later de oprit op naar de Harsta State bij Hegebeintum. De oudste vermelding dateert uit 1511 toen zekere Ruppert “oppe Harst” eigenaar was. De prachtige salon van de state is ingericht zoals hij was in de tijd van Amelia Gerardina van Andringa de Kempenaer-de Schepper (1838-1910), de vrouw die er van alle bewoners het langste gewoond heeft. Andere geslachten die er woonden waren onder meer Van Nijsen, Van Coehoorn en De Schepper.
De State en de tuin (aangelegd door de bekende tuinarchitect Roodbaard) zijn te bezichtigen. Kaartjes daarvoor zijn te verkrijgen bij het Bezoekerscentrum in Hegebeintum.
Als ik even later over het pad naar de kerk van Hegebeintum loop, vallen me ogenblikkelijk de naamplaatjes op die in het pad zijn aangebracht. Alle 19 kinderen van Barthold van Nijsen en Margaretha Huygh hebben hier een naambordje gekregen. Ze zijn een eerbetoon aan de familie die vroeger de Harsta State bewoonde, een state die nauw verbonden is met de kerk en de terp.
(Ik heb helaas niet kunnen achterhalen, waarom nu juist de familie Van Nijsen hier zo’n belangrijke rol gespeeld heeft.)
De terp is met zijn 8.80 meter boven N.A.P. de hoogste terp van Nederland en dateert al van de vijfde eeuw voor Christus. De terp die oorspronkelijk wel 9,5 hectar groot was, is net als veel andere terpen voor een deel afgegraven. De grond bleek namelijk erg vruchtbaar en werd gebruikt als een soort kunstmest voor de minder vruchtbare gronden in vooral Zuidoost Friesland. Dat is nog altijd duidelijk te zien.
Ik loop nog even naar de kerk, maar die zit op slot. De prachtige rouwborden in de kerk krijg ik dan ook niet te zien. Het is niet anders.
Bij het afdalen van de terp mis ik de afslag Bakkersreed. Maar omdat ik van een vorige keer weet dat rechtdoor lopen geen optie is (ogenschijnlijk loop je dan richting Ternaart) sla ik beneden bij de terp linksaf (de Underom geheten) en na een poosje weer rechtsaf. Ik kom daarna op de Hegebeintumerdyk en loop richting Ferwert. Vak voor Ferwert komen mij vier giegelende en druk pratende jonge meiden op twee fatbikes achterop. ‘Het zou voor deze kinderen toch een aderlating zijn als die fatbikes worden verboden’, denk ik.
Eenmaal in Ferwert moet ik na het bedrijf Wifo- Anema linksaf bij een karrenspoor. Dat vind ik en loop daarna om Ferwert heen. Dat had voor mij niet gehoeven, omdat je zo bijna niks van het dorp ziet.
Even buiten Ferwert kom ik op een fietspad terecht dat prachtig door het landschap loopt. Deze eindigt bij een kruising: rechtdoor loop je naar een paar boerderijen. Men vermoedt dat hier het klooster Foswert heeft gestaan. De kerk van Ferwert viel vanaf 1300 onder het klooster Foswert, dat hier in de 12e eeuw werd gesticht. Er moet een fraaie kerk bij de gebouwen aanwezig zin geweest. Het was een benedictijner dubbelklooster met meerdere uithoven en groot landbezit. Tijdens de reformatie in 1581 werden de gebouwen afgebroken en werden 3 boerderijen op het corpusland (stukken grond in bezit van het klooster) gesticht.
Omdat ik al eerder bij Sibrandahûs tegen de achterkant van een boerderij heb aangekeken, lokt het me niet aan om dat nogmaals te doen. Dus laat ik deze plaats links liggen en slag rechtsaf. Ik loop daarna over de Herjuwsmawei verder. Ons busje staat daar op en kruispunt midden in de landerijen en zie ik al van verre staan. Saak heeft daar een groot deel van de dag doorgebracht en heeft zich niet verveeld (vertelde ze mij). ‘Das mooi’, zeg ik en pak mijn nul procentje van het dahboard. Maar nu eerst naar Sibrandahûs, om te kijken of ik die steen bij het voormalige klooster daar nog kan vinden.
Die staat er zo blijkt even later, maar wel verscholen, vijf meter naast de ingang van de huidige boerderij. Ik heb er echt pal naast gestaan. Ik maak er nog een foto van. Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw staat deze enorme kei er als monument voor het verdwenen klooster. De kei is ongeveer twee meter hoog en in de steen is het motto van de cisterciënzers gebeiteld: Terar dum Prosim
“Ik moge verteren, als ik maar nuttig ben” staat er in de steen. Voor Calvijn betekende deze spreuk: het geeft niet dat ik slijt, als ik maar dien. (Overigens wordt terar dum prosim bij vertaalsites:ik zal bang zijn terwijl ik dichtbij ben.)
De steen is hier neergezet door een katholieke groepering die vóór de Tweede Wereldoorlog probeerde het klooster opnieuw op te bouwen. Dat is dus niet gelukt. Maar met die steen hebben ze nog wel een stukje van het klooster terug gebracht: De sokkel van de kei bestaat namelijk uit de originele kloostermoppen.





























































