Van Wierbroeken naar Bakkeveen 29 km
27 februari 2025
Om kwart voor negen sta ik samen met Saakje klaar om aan mijn laatste etappe naar het Pûpekrús bij Bakkeveen te beginnen. Saak loopt ( bijna zoals gebruikelijk) het eerste stuk met mij mee en daarna met een omweg weer naar ons busje. Na een paar honderd meter over de weg Wierbroeken, komen we over de Grote Masloot, die hier iets meer dan 12 kilometer door het landschap slingert en uitmondt in het Peizerdiep. Ik ben er niet achter gekomen hoe dit beekje aan deze opvallende naam komt.
Na nog een paar honderd meter is het gedaan met de verharde weg en duiken we het zand en de blubber in. Met de regen die ze voor vandaag voorspeld hebben, zal dat laatste er ook niet beter op worden. Maar voor vandaag is dit mijn voorland, want meer dan de helft van alle kilometers loop ik over ‘zand’paden. Het wordt dus een pittige laatste etappe.
Voor we het zandpad opstappen, maak ik nog even een foto van een Markesteen (een grenssteen), die daar op de hoek ligt. Een marke of boermarke is een rond de 13e eeuw ontstaan collectief van boeren. Zij regelden hierin het beheer en gebruik van de gezamenlijke gronden. Boermarken bestonden voornamelijk op de Saksische zandgronden in Oost-Nederland. Zij waren de voorlopers van de gemeentebesturen. Toen die vorm begonnen te krijgen nam de invloed van de boermarken af.
Helaas is de markesteen geen originele steen. Ze waren (bijna) allemaal verdwenen. Maar in 2005 zijn er maar liefst 19 markestenen ‘herplaatst’ in samenwerking met de boermarke Zeijen. M.a.w. die boermarke bestond en bestaat nog steeds. Elke steen is voorzien van een klein koperen plaatje met de naam van een lid van de boermarke. Tegenwoordig is het doel van een boermarke samenwerking en overleg, belangenbehartiging en het beheren van gemeenschappelijke gronden.
De grenzen van boermarken verliepen vaak langs wegen, paden en waterlopen. Op het Noordscheveld ten Noorden van Zeijen geeft van oudsher een boom de grens aan van de boermarken van Zeijen, Donderen en Peest. Waar de grens onduidelijk was werd deze met zogeheten markestenen aangegeven.
Het pad naar het Noordscheveld is niet bepaald droog, maar het lukt ons om met droge voeten het gebied te bereiken. Daar neem ik afscheid van Saak, die met een omweg weer naar ons busje.
Het Noordscheveld is een interessant gebied, waar Staatsbosbeheer zo lyrisch over is, dat zich soms niet aan de feiten houden.
Ik citeer: Staatsbosbeheer is er trots op dat in het Noordsche Veld de sporen uit het verleden zo goed bewaard zijn gebleven. Hierdoor is het Noordsche Veld in 2017 aangewezen als archeologisch monument. Je vindt er tientallen grafheuvels (met de naam Negen Bergen) van 2800 tot bijna 4000 jaar oud, raatakkers (ook wel celtic fields genoemd) van ongeveer 30 bij 30 meter, die meer dan 20.800 jaar geleden werden gebruikt om primitieve graansoorten als emmertarwe en spelt op te verbouwen. ( Dit moet natuurlijk 2800 jaar geleden zijn, al lijkt me dat voor Drenthe nog steeds aan de ruime kant.) Het zijn overblijfselen uit de IJzertijd. Deze begint voor Nederland zo rond 700 voor Christus en loopt hier door tot ongeveer 200 jaar na Christus. Maar in andere landen begon de periode soms eeuwen eerder en was daar ook eerder afgelopen. Die IJzertijd is in Europa dus niet overal gelijk
Voor de IJzertijd, plantten de boeren hun gewassen tussen de bomen, keien en boomstronken. In de IJzertijd, toen de vraag naar voedsel door de bevolkingsgroei toenam, werden de keien, boomstronken en plaggen aan de kant gelegd en vormden zo wallen van ongeveer 1 meter hoog. Die zijn hier nog steeds zichtbaar en vormen nu de celtic fields. Op de akkers vond wisselteelt plaats, ieder seizoen een ander gewas, afgewisseld met begrazing, waarbij de akkertjes ook direct werden voorzien van bemesting.
Het hunebed dat hier staat wordt door Staatsbosbeheer op wel 35000 jaar geschat. Staatsbosbeheer kijkt niet op een nul meer of minder, want ook in dit geval moet dat natuurlijk 3500 zijn. Hunebedden werden namelijk gebouwd door de mensen van de Trechterbekercultuur en die leefden van ruwweg 4900 tot 2750 v.Chr. Maar 3500 jaar oud vind ik ook oud genoeg.
Nadat ik afscheid genomen heb van het Noordscheveld kom ik over het Oostervoortsche Diep. Een niet onbelangrijk beekje, daarom nog enige informatie: Het Oostervoortsche Diep, dat tussen Lieveren en Langelo uitmondt in het Lieversche Diep, wordt ook wel het Kleine Diep genoemd. De bovenloop van de beek heet de Broekenloop. Deze ligt tussen Zeijen en Peest. De naam is een afgeleid van de Oostervoort, de voorde ten noordoosten van Norg. Op deze plek ligt nu een brug, de Oostervoortsebrug. Op het hoger gelegen gebied tussen het Groote Diep en het Oostervoortschediep is vanaf de 12e eeuw het dorp Norg ontstaan.
Na mijn passage over het Diep kom ik langs Peest, een brinkdorp dat al rond 1300 genoemd wordt en zich langzamerhand richting Norg heeft uitgebreid. Maar met zo’n 150 inwoners is het niet bepaald een groot dorp. Ik passeer het op afstand en krijg er dus weinig van te zien. Daarna slinger ik over de Norger Es en daar gaat het even mis. Door al die bochten vergis ik mij in het kaartje en ben in gedachten een bocht te ver. Omdat ik al vaker meegemaakt heb dat het kaartje niet altijd meer up to date is ga ik terug en loop over een breed pad naar de Peesterweg. Daar moet ik volgens mijn boekje op uit komen en dat doe ik ook. Maar om eerlijk te zijn: ik heb mij hier gewoon vergist en heb daardoor de Reeweg, die ook op de Peesterweg uitkomt gemist. Maar het is goed gekomen en ik steek dan ook even later met een gerust hart de Asserstraat over richting Westervelde.
Een prachtig, soms met hulst overdekt paadje, brengt mij naar Westervelde. Ik loop daarbij door het Tonckensbos. Op een paaltje staat dat je in dit bos maar liefst veertig grafheuvels (brandheuvels) kunt vinden, die allemaal aan de westzijde van een licht gebogen aardenwal liggen. Ze dateren allemaal uit de IJzertijd al zijn ze nooit wetenschappelijk onderzocht. Ik zie er maar eentje tussen de bomen en die aardenwal heb ik helemaal niet gezien.
Daarna passeer ik vlak voor het dorp Westervelde het landgoed Tonckensborg. Ik citeer: ‘Het belangrijkste erf van Westervelde was vanaf de zeventiende eeuw in bezit van de invloedrijke Drentse familie Lunsingh. Dat groeide uit tot het Huis te Westervelde (nu Tonckensborg). Het huidige huis werd rond 1700 gebouwd. Halverwege de achttiende eeuw was de familie Lunsingh eigenaar van maar liefst negen erven in Westervelde. Een daarvan was de grote witte boerderij naast Tonckensborg waar nu Hotel-Restaurant De Jufferen Lunsingh gevestigd is.’ Die naam heeft het gekregen, omdat er in het oorspronkelijke huis, het gedeelte waar nu de Cognackamer en de keuken zijn, van 1724 tot 1780 vijf vrijgezelle zusters woonden: de jufferen Lunsingh.
Westervelde zelf is een klein dorp (ongeveer 160 inwoners), maar was wel een tijdlang de hoofdplaats van de gemeente Norg met diverse leden van de familie Tonckens als burgemeester. Later kwam het gemeentehuis in Norg en door de gemeentelijke herindelingen in 1998 in Roden (gemeente Noordenveld).
Het dorp Westervelde dateert van de late Middeleeuwen, maar kende daarvoor al eeuwenlang een vorm van bewoning. Vlakbij het dorp vind je namelijk hunebed D2, een portaalgraf dat gebouwd is tussen 3400 en 3100 v.Chr. tijdens de trechterbekercultuur. (Een portaalgraf heeft een ingang in het midden van de lange zuidzijde. Helaas is het hunebed niet meer compleet en omdat ik er niet langs kom heb ik er ook geen foto van. Zeer opmerkelijk is dat de auto van Google Earth er een rondje omheen gemaakt heeft, zodat je hem met Streetview (op Google Earth) kunt bekijken.
Liep ik eerst langs de zijkant van Tonckensborg, daarna loop ik er voor langs. Wat direct opvalt is de 18e eeuwse theekoepel. En ook opvallend, in de sloot er voor liggen nog ‘ouderwets’ boomstammen te wateren. Verse boomstammen moeten wel tussen de negen maanden en drie jaar in het water liggen om de verwerkbaarheid te verbeteren, de duurzaamheid van het hout te verhogen en de werking (rek en krimp) van hout na droging te verminderen. Maar ik geloof niet dat dat nog veel gebeurd.
Na Tonckensborg loop ik via de weg De Steeg naar de Schoolstraat, waar je naast een school ook nog enkele heel aardige huizen kunt vinden.
Nadat ik het dopr uitgelopen ben moet ik naast een boerderij linksaf. Op een hek staat: ‘Pas op voor de Hond’. M.a.w. je loopt de kans in je kont gebeten te worden voor je bij het bord bent met daarop Norger Esdorpen Landschap. Maar ik zie geen hond en kom zonder kleerscheuren bij het beekdal van de Slokkert, dat hier de Tempelstukken heet. Er is onduidelijkheid over waar die naam nu precies betrekking op heeft, maar ik vond wel het volgende: ‘In het gehucht Westervelde bij Norg ligt de boerderij “De grote Tempel”. Even ten oosten ervan ligt “De kleine Tempel”. De ten zuiden van deze boerderijen gelegen graslanden dragen de naam “De Tempelstukken”. Schriftelijk is de naam “Tempel” hier overgeleverd vanaf 1643. In dat jaar wordt een Hendrik Tempels als meier vermeld’.
Het Slokkertdal is tijdens en na de voorlaatste ijstijd uitgesleten door smeltwater, afkomstig van gletsjers ( Zeg mar 150.000 jaar geleden). Tijdens de laatste ijstijd ( ruwweg van 115.000 tot 12.000 jaar geleden) is het dal deels opgevuld met zand. Veengroei in het gebied heeft het land weer wat vlakker gemaakt, maar het beekdal is nog steeds zeer goed herkenbaar. Door het gebied stroomt een stokoud beekje dat ooit is ontsprongen in het Fochtelooërveen. Nadat het in de jaren zestig werd gekanaliseerd heeft men de oude loop tussen 2012 en 2014 weer zo goed mogelijk hersteld. Tijdens die restauratiewerkzaamheden vond men een van de oudste (takken)wegen van Nederland. Deze weg van ongeveer 4000 jaar oud loopt dwars door dit gebied, dat toen erg moerassig moet zijn geweest.
Als ik even later over de herstelde Slokkert kom, die hier weer prachtig door het landschap slingert, geeft een groot bord mij informatie over het takkenpad. Het bord is mij groot genoeg, maar neemt niet weg dat het takkenpad natuurlijk vrij uniek is. .
Na de herstelde beek kom ik vrij snel over een gegraven kanaal dat volgens Google Earth ook de Slokkert heet. Ik ben er niet achter gekomen of dat klopt.
En dan kom ik na het passeren van de Zesde Wijk ( die hier een enorm verval kent) door het dorp Een. Daar moet ik volgens mijn boekje tegenover de Norgerweg tussen een boerderij en een camping door lopen, om op de es te komen. Maar ik zie niets wat er op duidt dat er nog een camping is en zie ook dat het pad na de boerderij harstikke dood loopt. Ik geloof dus niet dat het de bedoeling is dat ik daar langs ga en ik besluit terug te lopen naar de Vennootsweg. Dan weet ik zeker dat ik weer op de juiste route kom. (Achteraf kom ik te weten dat ik nog even had moeten doorlopen omdat daar wel een mogelijkheid was geweest om over de es te lopen. Maar dat stond niet in mijn boekje.)
Ik loop maar liefst 4 kilometer over de Vennootsweg en zie op een bepaald moment in de verte de Zwartendijksterschans, die ook wel de Eenerschans wordt genoemd. Daarom toch enige informatie over deze schans: De schans werd in de Spaanse tijd (1593) aangelegd aan de Zwartendijk (nu de Schansweg), die van het dorp Een naar Een West loopt. Lange tijd was de Zwartendijk, die dwars door het moeras tussen Drenthe en Friesland liep, de enige verbinding tussen Drenthe en Friesland. De schans moest de weg van Groningen naar Friesland afsluiten voor de Spanjaarden, die in Groningen zaten. De Spaanse legerleider Verdugo wilde namelijk vanuit Groningen Friesland veroveren. Maar hoewel de schans er in 1593 al lag, slaagde Verdugo er met zijn troepen in datzelfde jaar in de schans te passeren. Hij liep namelijk dwars door het moeras, dat door een droge zomer toegankelijk bleek. Op de terugweg plunderde het Spaanse leger alle boerderijen in de buurt van de schans en stak ze daarna in brand.
Via de Vennootsweg kom ik na het passeren van de Hoofdweg bij Een West op de Verlengde Vennootsweg. Hoewel ik daarna nog wel 800 meter over de drukke Bakkeveenseweg moet, kom ik heelhuids bij Hotel- restaurant De Drie Provinciën. Daar vind ik nog de oude landweer, die de smokkel vanuit Drenthe naar Friesland moest voorkomen. Een bord op de hoek geeft daarover normaal gesproken de nodige informatie, maar was tijdens mijn wandeling verdwenen. (Tijdens een eerdere wandeling lag hij in een sloot en dat heb ik toen direct doorgegeven aan It Fryske Gea. Zij weten er dus van en ik neem aan dat het bord weer herplaatst wordt.)
En dan loop ik het Mandefjild in, met daarin een holle weg, uitgesleten door de duizenden karren en tienduizenden voetgangers die er door de eeuwen heen langs getrokken zijn. Ook de hannekemaaiers zullen hier ongetwijfeld gebruik van gemaakt hebben. Helaas houdt de holle weg al na 300 meter op. Het pad gaat daarna rechtsaf en ik kom daarna langs een heel aardig ven. Daar raak ik in gesprek met een man die daar wat aan het zoeken is. Omdat ik op mijn pet mijn voornaam ‘Karst’ geschreven heb, zegt hij plotseling: “Ben jij Karst Berkenbosch?” Ik ben verrast en we komen er achter dat hij (zijn naam is Auke) ooit actief geweest is bij het Vormingstoneel in Leeuwarden (begin jaren tachtig). Daar was ik toen regisseur. Het mag duidelijk zijn dat ik daar bij het ven met Auke ( zo heet hij kom ik te weten) een heel plezierig gesprek heb. Hij logeert in het Nivon-huis Allardsoog en is op zoek naar de groene specht. “Maar dat mag ook wel een zwarte specht zijn,” zegt Auke. Enfin, na een vijftal minuten neem ik afscheid van hem en vervolg mijn weg over It Mandefjild.
Even later kom ik langs de Poepedobbe, die zijn naam te danken heeft aan het feit dat de Poepen (de hannekemaaiers) zich hier verzamelden voordat ze gezamenlijk verder trokken naar Duitsland. Omdat iedereen nogal wat geld bij zich had was dat uit veiligheidsoverwegingen niet verkeerd. Een verhaal wil dat de poepen zich hier wasten voor ze verder trokken, omdat ze na die maandenlange arbeid bij de boeren nogal stonken.
En dan kom ik na It Mandefjild bij de Bakkeveenstervaart, die hier vanaf 1660 voor de turfwinning is aangelegd. Pas in 1685 was de vaart voltooid en kwam er op de kruising van de weg en de vaart een verlaat. Hoewel er al diverse hutjes voor de veenarbeiders stonden, begon Bakkeveen zich pas na 1685 te ontwikkelen. Wel werd er al in 1668 door de familie Aylva een slotplaats gebouwd: Het Blauwhuis. In 1838 werd het Blauwhuis helaas afgebroken, maar gelukkig bleef de slotboerderij dat lot bespaard. Het is nu een gerenommeerd restaurant.
En dan loop ik na nog een ommetje de laatste 700 meter van het Hannekemaaierpad over de Duerswaldmer Wei naar het andere Pûpekrús (is hier op z’n Fries geschreven), dat hier naast het fietspad is gemaakt. Het kruis langs het fietspad geeft de plek aan waar ooit een ‘Poep’ is vermoord om z’n geld. Vanaf Neurhede loop je dus van Poepekrús naar Pûpekrús. Het Hannekemaaierspad loopt daarna nog door naar Lemmer. Maar dat traject had ik al gelopen. Vlak voor ik bij het kruis ben vraag ik via de app Saak, die daar op mij staat te wachten, of ze bij het kruis een foto van mij wil nemen. IK heb het appje nog niet verstuurd of het begint enorm te regenen, met zelfs hagelstenen er in. Saak is dan ook niet amused dat zij ons busje uit moet om een foto van mij te maken, maar ze heeft het gedaan. Niet helemaal droog meer stappen we even later ons busje in. Het hannekemaaioerspad zit er op.
Conclusie. Hier en daar is het echt een prachtig pad, maar…. gedateerd. Paden zijn soms afgesloten, kaartjes kloppen niet altijd en last but not least vraag ik mij ernstig af of het traject wat ik gelopen heb wel echt door de hannekemaaiers is gebruikt. Het spoortraject waar ik vanaf Stadskanaal via Gieten kilometerslang over heb gelopen, bestond nog helemaal niet in de tijd van de hannekemaaiers. En deze mensen liepen ook echt niet dwars door Het Schar ten westen van Heerenveen. Kortom het is een mooi traject, maar wel eentje met een aantal minder leuke verrassingen. Een goede voorbereiding en mijn verhalen toch maar even lezen, voorkomen teleurstellingen. Kortom, het boekje is hoog nodig aan een herziening toe.








































































