3. Van het Jodenkerkhof bij Delden naar de Tankinkbrug

3. Van het Jodenkerkhof bij Delden naar de Tankinkbrug

Van het Jodenkerkhof bij Delden naar de Tankinkbrug ( 20 km)

12- 8 – 2025

Als we ons busje hebben geparkeerd en de koffie hebben genuttigd maak ik nog even een foto van het hek van de begraafplaats. Op de palen van het hek staan twee namen: Alex en Benny. Op initiatief van Alex Groenheim is het kerkhof in 1991 gerestaureerd. Als dank voor dit  initiatief  zijn de voornamen van de broers Groenheim aangebracht op het hek. Beiden werden hier ook begraven. Benny in 1988 en Alex in 1992. De begraafplaats is sinds de jaren zeventig van 20e eeuw erkend als rijksmonument vanwege de ‘oudheidkundige en volkskundige waarde’.

Samen met Saak begin ik daarna aan de derde etappe. Na nog geen halve kilometer komen we bij een illegaal paadje dat uitkomt op de Kanaaldijk die hier langs het Twentekanaal loopt. Over dit kanaal, dat  ook wel het kanaal Zutphen  – Enschede wordt genoemd heb ik de vorige keer (bij de 2e etappe al uitgebreid over geschreven.
Bij een smal éénbaansbruggetje steken we het kanaal over en zien dat een groot vrachtschip onder ons doorvaart. Er wordt dus nog steeds dankbaar gebruik gemaakt.  

Daarna lopen we door een mooie beukenlaan Delden binnen. Maar eenmaal bij de nieuwbouw is Delden al net als andere plaatsen: je loopt er niet voor je plezier langs. Een opgeknapte oude schuur aan de Vossenbrinkweg, probeert haast wanhopig het dorp nog een ietwat agrarisch karakter te geven, maar dat is gedoemd te mislukken. Niet veel later lopen we onder het niet al te hoge spoorwegviaduct door van slechts 3.20. De brug bekijkend heb ik sterk de indruk dat niet iedereen geweten heeft hoe hoog 3.20 meter is.

En ach, even  na de spoorbrug moeten we volgens mijn boekje het dorp ook al weer uit. Kortom geen ommetje door het centrum van Delden en dat laat ik mij vandaag niet gebeuren. Er zijn mij al te veel centra door de neus geboord en Het Deldense centrum ligt vlakbij de route. En dus lopen we via de Zuiderhagen en de Kortestraat naar de Langstraat. Maar tot mijn grote verbazing heeft Het Nivon, de uitgever van het wandelboekje, de route hier aangepast en vind ik even later bij het centrum weer de merktekens van het Havezatepad. Men heeft gelukkig ingezien dat Delden best een heel aardig centrum heeft.

En nu ook maar even een stukje geschiedenis van Delden: Hoewel de kerk van Delden al voor het eerst in 1118 genoemd wordt, ontwikkelde de stad zich pas na 1322, toen de mensen uit de regio toestemming kregen om zich binnen een omgrachte omgeving te vestigen. Delden was dus toen al een vestingstad. Aan beide uiteinden van de Langestraat stond een toegangspoort.
Omdat nadien de verdedigingswerken werden verwaarloosd had Delden veel last van De Zwarte Hoop, het leger van de hertog van Gelre rond 1500, waar we ook in Friesland last van hadden.

Een Spaans garnizoen verhoogde in 1572 nog de aarden wal en plaatste wachthuisjes bij de stadspoorten. In 1583 werd bij een aanval van een Staats leger Delden  verwoest. Afwisselend door de Spanjaarden en de Staatsen werd de stad daarna bezet totdat in 1597 prins Maurits de stad belegerde en innam. Kortom de Tachtigjarige Oorlog is aan Delden niet ongemerkt voorbij gegaan. Net als bij diverse andere Twentse stadjes moest ook Delden worden ontmanteld, maar het slechten van de aarden wal werd pas rond 1750 voltooid en de stadsgracht werd pas  in de 19e eeuw gedempt. De vorm van de gracht en aarden wal is nog herkenbaar in het huidige stratenpatroon: de straten Noordwal en Zuidwal herinneren nog aan die aarden wal,

Hoewel tot begin twintigste eeuw in de stad nog vrij veel melkvee werd gehouden, werd het beeld van de stad allerminst door landbouwers bepaald. Het betrof in veel gevallen gewone burgers,  die voor eigen gebruik er één of twee koeien op na hielden en wat tuinbouw bedreven. Voor de economie waren de gilden van de schoenmakers, de snijders en de scheerders, de overige ambachten en de veemarkten van veel grotere betekenis.
Ook het weven van linnen ter aanvulling op het inkomen uit het agrarische bedrijf was van oudsher een belangrijke bezigheid in tijden dat er op en rond de boerderij weinig te doen was. Van de totale beroepsbevolking van Delden was in 1795 ruim 36% vol- of deeltijds werkzaam in de textielnijverheid. Na de introductie van katoen werd in Delden in 1835 zelfs een weefschool opgericht. De textielnijverheid was dan ook  in de periode 1850-1940 de leidende tak van industrie.
Maar ook zout speelde in Delden een rol en op de Markt in Delden vind men dan ook een Zoutmuseum. Ook is daar als dank aan Dr. R.F. Baron  Van Heeckeren Van Wassenaer een monumentje geplaatst voor de door hem in de gemeente aangelegde waterleiding.

We komen lopend over de Marktweg langs de Oude Kerk van Delden, die oorspronkelijk was gewijd aan de Heilige Blasius. De kerk is eigendom van de Nederlands Hervormde Gemeente. Van de Romaanse kerk bevinden zich overblijfselen in de pijlers tussen de drie beuken.

Maar genoeg over de geschiedenis. Ik maak nog een paar foto’s en we  lopen via de Marktstraat naar een grote voetgangersbrug die over de Rondweg van Delden ligt. Daar zien we ook de watertoren van Delden, die een hoogte heeft van 37,50 meter en een waterreservoir van 200 m³. De toren bezit de status rijksmonument.
De toren is in 1894 gebouwd in opdracht van eigenaar Dr. R.F. Baron van Heeckeren van Wassenaer en behoort bij het landgoed Twickel. Het waterreservoir diende in eerste instantie voor het blussen van branden op Twickel, maar daarnaast wilde de baron Delden ook een waterleiding schenken. Toen bleek dat het water bij Twickel zout bevatte, en dus niet bruikbaar was als drinkwater, werd de toren aangesloten op het waterleidingnet van Almelo. Hiertoe moest een pijpleiding van circa 10 kilometer lengte worden aangelegd.

Na nog een kilometer komen we bij het kasteel Twickel. Op een grote zwerfkei vlakbij het kasteel staat de tekst:

 Versta uw Historie,
               Bewaar uwe Glorie,
               Delden ontwikkel,
               Laat Twickel, Twickel.

En daaronder:
Aan de Vrouwe van Twickel 16 sept. 1958

Hoewel ik het niet helemaal begrijp, zou ik het toch een soort proteststeen willen noemen.
We lopen door tot pal voor kasteel Twickel dat op het grootste landgoed van Nederland staat. Het is een particulier beheerd landgoed, maar wordt sinds 1953 beheerd door Stichting Twickel. Het 4.400 hectare grote landgoed, bestaat uit bossen, natuurgebieden en landbouwgronden. Het oudste gedeelte van het kasteel dateert al van de 16e eeuw. Het ziet er imposant uit, maar een rondleiding zit er voor ons vandaag niet in. Het is gesloten.

Ik neem daarna afscheid van Saak en zie dat de route hier al weer wat verlegd is. Helaas ontbreekt bij  de eerste de beste driesprong een aanwijzing. Ik loop op goed geluk rechtdoor en vraag aan twee mannen, die daar aan het werk zijn, of ze weten of ik op het Havezatepad zit. Dat weten ze niet, maar als ik straks naar links ga kom ik in het Twickelerbos. Daar moet ik door. Omdat ik vijftig meter verder een vrouw met een hond tegen kom, vraag ik haar nogmaals of zij weet of ik op het Havezatepad zit. Zij weet het ook niet, maar pakt mijn boekje erbij en wijst mij aan waar ik nu ben. “Linksaf kom je in het Twickelerbos,” zegt ze. Het is een aardige vrouw en ik geef haar mijn kaartje met daarop de naam van mijn website. Ik ga daarna linksaf, maar ook hier ontbreekt het teken van het Havezatepad.

Niet veel later loop ik in het  Twickelerbos en vind daar plotseling weer een rood-wit pijltje. Ik zit weer op de route, al komt die nog steeds niet overeen met de kaart in mijn boekje. Maar als ik na 1,5 km door het bos langs de Noordmolen kom, een volledig gerestaureerde oliemolen uit 1325, zit ik ook volgens mijn boekje weer helemaal goed. ‘De molen, die er al 700 jaar staat heeft een fundering van Bentheimer zandsteen en is van het type onderslagmolen (de molen wordt dus aangedreven door water dat tegen de bladen aan de onderzijde van het molenrad drukt).  In de molen is nog het authentieke persproces van lijnzaad tot olie te bekijken’.  De watermolen wordt aangedreven door het water in de Oelerbeek: Deze loopt vanaf Oele via duikers onder het Twentekanaal door, en kan aangevuld worden vanuit het Twentekanaal. De Oelerbeek eindigt bij Noordmolen Twickel als stuwvijver voor de molen. Daar gaat hij over in de Azelerbeek.
Nog even wat over de Bentheimer zandsteen (uit de omgeving van Bad Bentheim). Deze werd al in de middeleeuwen gebruikt. Maar de intensieve winning ervan begon pas rond de 15e eeuw, met een hoogtepunt tussen 1450 en 1850. De zandsteen, ook wel ‘Bentheimer Gold’ genoemd, werd voornamelijk gebruikt voor belangrijke gebouwen vanwege de hoge transportkosten.

Na de molen loopt het Havezatenpad vooral langs landerijen en door bossen, maar passeer ik   ook een aantal boerderijen, waaronder de boerderij Dubbelink. Daar stond vroeger een havezate en ook nu nog heet de boerderij: havezate Dubbelink, ook al is er niets overgebleven van die oude havezate. Het huis Dubbelink is al in de 18e eeuw verdwenen. Thans resteren nog een aantal boerderijen, het zogenaamde Meestershuis en een bakspieker. In het Meestershuis was, behalve de woning van de schoolmeester, vroeger ook de dorpsschool van Azelo gevestigd. Het Meestershuis bevindt zich op de oude huisplaats van Dubbelinks Havezathe, maar die heb ik niet waargenomen. Geen wondeer, want ik las in een krantenartikel dat het huis ‘verscholen ligt tussen hoogopgaand eikenhout’. . Mogelijk vormt de kern van dit gebouw een restant van havezate Dubbelink.
Maar de bakspieker zie ik wel. Dis is een bakhuisje, een bijgebouw van een boerderij of landhuis, waarin men vroeger brood en koek bakte. In het bakhuisje bevindt zich een met hout gestookte bakoven. In het noorden van Nederland worden dergelijke gebouwtjes ook wel stookhut of stookhok genoemd. Imn ieder geval is de bakspieker niet te missen: hij staat pal langs de weg.  

Niet veel later kom ik langs een lamakerij, een kleinschalig boerderijtje dat zich nu op het toerisme richt. Artifical Intelligence geeft als betekenis:  “Lamakerij” is een ouderwets woord dat “boerderij” kan betekenen, of meer specifiek een plek waar lammeren worden grootgebracht’.

Hierna duik ik het bos in van het Hellecaterveld. Hoe dat aan z’n naam is gekomen heb ik niet kunnen achterhalen. Wel weet ik dat dit gebied niet geschikt geacht werd voor bosbouw. Het bos is hier dus spontaan ontstaan. Ik loop daarbij een poos langs de Twickelervaart . Om Delden te verbinden met de Regge liet graaf Carel George van Wassenaer Obdam tussen 1771 en 1775 voor 60.000 gulden het 11 kilometer lange kanaal graven. Dat bleek een goede investering, want al na een paar jaar had hij het geld er met de inning van tolgelden weer uit.  Op de vaart voeren ‘zompen”,  eenmansschepen die werden geboomd of gezeild en die de textielproducten vervoerden die op de Twentse boerderijen werden gemaakt. Ook het hout uit de Twickeler bossen werd ermee vervoerd.

Eenmaal bi de Grote Looweg verlaat ik de vaart en loop even later over de Krudersweg richting de Almelosestraat. Hoewel niet aangegeven op mijn wandelkaart staan er verscheidene heel aardige stulpjes langs deze weg, met aan het eind een platte woning waarvan het dak bedekt is met sedum. Nog even en het pand valt volledig weg in het landschap. Ik vind het knap gemaakt.

 Ik loop hierna heel even langs de Almelosestraat  en kom daarna op de Welbergsweg. Daar loop ik langs de monumentale boerderij de Tibbe. Die staat bij Rijksmonumenten.nl als volgt omschreven: Kleine boerderij met bovenkamer onder pannen zadeldak; houten geveltoppen met makelaars. Put met haalboom’. Dat is alles

Hierna kom ik langs Erve Groot Rouweler. Dit is één van de eerste pachtbedrijven van Twickel. Herman II van Twickelo kreeg ‘erve Ten Rouwelaar’ in 1388 in zijn bezit. De verkoopakte wordt bewaard in het huisarchief van Twickel. Eeuwen later is het gesplitst in twee erven: Groot en Klein Rouweler ( de twee aa’s zijn een e geworden). De huidige boerderij stamt uit 1888 en staat niet meer exact op de oorspronkelijke plek.
En dan kom ik even later (dat kon ook haast niet anders) ook nog langs Klein Rouweler. Landgoed Twickel heeft maar liefst 148 boerderijen op haar grote grondgebied, die te herkennen zijn aan de zwart-witte luiken.

Vrij snel daarna kom bij een zijtak van het Twentekanaal dat ook het Twentekanaal wordt genoemd.. Hier loop ik 2,5 kilometer langs. Het kanaal is tussen 2005 en 2010 beter bevaarbaar gemaakt en van natuurvriendelijke oevers voorzien. Maar voordat ze daar mee aan de gang konden, moest het hele kanaal gecontroleerd worden op niet ontplofte explosieven uit WOII. Een zwager van me, die beroepsduiker is, heeft daarvoor maandenlang in het water gelegen. Blijkbaar was men daar bang voor.

Na twee gele Cogaspaaltjes moet ik linksaf. Ik had nog nooit van Cogaspaaltjes gehoord maar Cogas blijkt een gasnetbeheerder te zijn die vooral in deze regio actief is. De paaltjes geven waarschijnlijk aan dat de gasleiding daar onder het Twentekanaal door loopt. Trouwens geel zijn de paaltjes helemaal niet: er zit alleen maar een geel plaatje op.

Ik bevind mij daarna op een landweggetje dat al snel een asfaltweg wordt, de Hoffmeijerweg. Maar ook die verlaat ik al snel en loop over een slingerend pad langs een paar boerderijen. Als ik bij de N346 kom, ben ik ook vlak bij restaurant ‘De Markenrichter’, een pannenkoekenrestaurant. De naam van dit restaurant verwijst naar de tijd dat het land nog verdeeld was in marken. Men regelde in die marken alles zelf: zo zag men via een richter toe op de afspraken over grondgebruik  en de aanleg en onderhoud van houtwallen en wegen. Wanneer dat niet goed gebeurde, werden er boetes opgelegd en op het erf van De Markenrichter werd vroeger dan ook recht gesproken.

En jawel, na nog geen halve kilometer verder kom ik weer bij het Twentekanaal en daar wordt de hitte van de dag me te veel. “As et jow te hiete wodt dan bel ie me mar op. Dan hael ik je wel op,” zei Saak vanmorgen nog tegen me. Ik had er wat lacherig over gedaan, maar voel nu toch dat de warmte zijn tol begint te eisen. Heel langzaam begin ik wat koppijn te krijgen als ik in de blakke zon langs dit gedeelte van het Twentekanaal loop. Vanaf tien uur code geel voor het hele land, was er afgegeven, maar onder het mom van ‘de mensheid lijdt het meest van het lijden dat men vreest’, ben ik vanmorgen vol goede moed aan mijn derde etappe begonnen. Maar hoe dichter ik bij de Tankinkbrug kom, hoe zekerder ik word van mijn beslissing: ik houd er voor vandaag mee op. Ik kijk even op Strava-app en zie dat ik er bijna 20 km op heb zitten. Hoewel ik volgens mijn wandelboek slechts 17,5 km heb gelopen, is dat door het omleggen van de route en een paar keer fout lopen (waarschijnlijk)  toch al 20 geworden. Dat kan ik voor mezelf wel verantwoorden en dus bel ik Saak dat ze me maar moet ophalen. Een paar minuten later krijg ik een appje met ‘ik vertrek now’. Ik loop ondertussen de Tankinkweg uit naar de Rijksweg N346. En dat is goed getimed. Want ik sta nog maar net aan het begin van de weg of ik zie ons rode busje al aankomen.

Ik trek nog even een korte broek aan en ga in ons busje zitten met mijn gebruikelijke 0%. En hoewel ik ‘de piepe beheurlik uut hadde’ ben ik na mijn 0% weer redelijk vlot bij de pinken. Op naar Berkoop.   

Back to Top