2. Van Gytsjerk naar Damwâld

2. Van Gytsjerk naar Damwâld

14 – 03 – 2025

2e etappe Van Gytsjerk naar Damwâld 26 km

Voor ik Gytsjerk definitief achter mij laat, wil ik nog even aandacht vragen voor het beeld van twee accordeon spelende kinderen in het dorp met als titel Ryk Troch Muzyk,.Het  is een herinnering aan dorpsgenoot Marten Brouwer (1915-1963) en zijn muziekschool. Zijn zoon Sale Brouwer heeft nog les gegeven aan de krontjongclub de Gibama’s (gitaar, banjo, mandoline) in Oldeberkoop, waarin ik als kind de enige was die op een ukelele speelde.

Vanaf de kerk van Gytsjerk loop ik door een prachtig open gebied richting Oentsjerk. En ook al is het fris, met het zonnetje er bij is het een lust om zo door de landerijen te lopen.
Als ik vlakbij de kerk van Oentsjerk ben, zie ik mijn vrouw Saakje staan. Zij heeft ons busje bij Stania State geparkeerd en is mij tegemoet gelopen.

De oude Romaanse kerk van Oentsjerk werd omstreeks 1230 gebouwd. Dit als vervanger van een veel kleiner tufstenen kerkje dat vermoedelijk gebouwd was in de eerste helft van de 12e eeuw. De zadeldaktoren is van jongere datum. Het kerkgebouw was, gezien het aantal inwoners van dit dorp, vrij groot. Wel behoorde Mûnein ook bij deze gemeente. De kerk staat nu eigenlijk buiten het dorp, maar de oudste bebouwing lag vroeger dichter bij de kerk. Het centrum bevond zich aan het begin van de Wynzerdyk en rondom het dorpscafé aan de Rengersweg. Het maakt nieuwsgierig waarom net als in Gytsjerk het centrum naar het oosten is opgeschoven.
Als we bij de Rengersweg komen, valt het op dat daar een beeldje geplaatst is. Het heet: Tryntsje en har sân soanen’(zeven zonen)’. Volgens de legende is Tryntsje-muoi eigenlijk de moeder van de Trynwâlden. (De Trynwâlden is een zandrug in het noorden van de Friese gemeente Tietjerksteradeel, met daarop de dorpen Aldtsjerk, Oentsjerk en Gytsjerk.) Aan de oostkant, net over de grens met Dantumadeel, ligt het dorp Readtsjerk dat doorgaans ook tot de Trynwâlden wordt gerekend.) Haar zeven zonen gaven naam aan verschillende dorpen in dit gebied, maar welke dat precies zijn weet ik niet.

Als we Oentsjerk uitlopen, komen we al snel bij Stania State langs, waar we nog niet zo lang geleden de gitarist Sido Martens met de tribute band Fungus hebben zien optreden. Het was een eerbetoon aan het lied ; Allen die willen te kaapren varen, dat 50 jaar geleden in de top 40 stond. Opeen gepropt zaten we daar in een van de kamers, maar dat had wel wat. Duidelijk moet zijn dat Stania State meerdere ruimtes heeft, waarvan sommige beduidend groter zijn dan waar wij zaten.
Een eerste ‘slot’ dateert van het begin van de 16de eeuw en werd gebouwd in opdracht van Jeppe Stania. Daarna woonden nog andere families. Het oude Stania State werd in 1813 gedeeltelijk door brand verwoest, maar al snel weer hersteld.
Het gebouw zoals het er nu staat is gebouwd door de heer Looxma, die eigenaar was van een grote olieslagerij in Sneek. In 1856 werd een aanbouw gerealiseerd en drie jaar later, in 1859, laat hij het huis verbouwen. Daarbij worden enkele muren, fundamenten en onderdelen van het oude huis zoals schouwen, betimmeringen e.d. opnieuw gebruikt. In 1874 wordt er ook nog een bergplaats gebouwd. De tuin werd al voor 1850 aangelegd onder leiding van Lucas Pieters Roodbaard in de Engelse landschapsstijl. Dat moet wel, want Roodbaard is al in 1851 overleden. Die tuin wordt als volgt omschreven: Het is een samenstelling van slingerpaadjes met onverwachte doorkijkjes, bruggetjes, heuveltjes en vijvers. 

In de twintigste eeuw deed de state vele jaren dienst als uithof van het Fries Museum, als internaat van de landbouwpraktijkschool en als jeugdherberg. Het gebouw is sinds 1977 eigendom van de gemeente en Staatsbosbeheer is eigenaar van het park. Er is nu een horecagelegenheid in het monument gevestigd.

Het park grenst aan het natuurgebied Griekenland en Turkije. Daar lopen we na  onze tocht door het park langs. De natuurgebiedjes hebben deze namen gekregen toen de familie Sminia deze ‘bosjes’ met de opbrengst van Griekse en Turkse staatsobligaties heeft aangekocht..
Ook komen we langs het Oudkerkster Oudland (volgens mijn boekje). Ik heb er naar gezocht, maar over dit gebied niets kunnen vinden.

Het is daarna niet ver meer naar Aldtsjerk (Oudkerk), waar voor de verandering langs de kerk kom. Deze zaalkerk is gebouwd op een zandrug en diverse keren verbouwd. Omdat men oude en nieuwere stenen door elkaar gebruikt heeft, lijken de muren van de kerk als een mozaïek van bak- en tufsteen. De aan de apostel Paulus gewijde kerk is in het midden van de 12de eeuw gebouwd. De Westtoren is van begin 13de eeuw.  Wat opvalt is dat je links naast de huidige ingang aan de noordzijde een oude ingang vindt die met rode baksteen is dichtgemetseld. Ook aan de zuidzijde vind je een oude ingang. Naar analogie van de kerk in Duurswoude kunnen dit de ingangen zijn geweest voor de mannen en de vrouwen. De mannen gingen door de zuidelijke ingang en de vrouwen door de noordelijke. Maar of dat hier ook zo was, weet ik niet. Maar het zou kunnen.

Daarna kom ik langs het café Moarkswâl. Het café dateert van rond de 1800 en had een ‘trochreed’ met een stalling voor paarden. Later werd het vooral bekend als IJscafé, vanwege de ligging aan de Elfstedenroute (tussen Bartlehiem en de finish op “de Bonke”. Ik ben daar ooit in de jaren zeventig eens binnen geweest en weet nog dat de namen van de schaatsers van de Elfstedentocht die hier als eerste langs kwamen op een balk geschreven stonden. Maar het café komt mij onbekend voor en dat is geen wonder: het cafe is in 1982 afgebrand. In 1983 is het weer opgebouwd, met als vereiste, dat de balk met de namen weer in het café geplaatst werd. De namen zijn vanaf 1949 weer teruggevonden en weer in ere hersteld. In het café hangen vele foto’s van de geschiedenis, maar om eerlijk te zijn heeft het huidige café lang niet de uitstraling die het had. Het ziet er dan ook heel anders uit.
Omdat ik mij had voorbereid, was deze informatie mij bekend. Maar als ik er langs loop zeg ik hardop: “Wat enorm zonde.”

Het café ligt naast de brug over de Moark. Deze is niet voor niets aangemerkt als een rijksmonument. Bij de brug zie ik een beeldje van een man. Het beeld is gemaakt door Karianne Krabbendam uit Grouw en is gebaseerd op de karakteristieke figuur van de brugwachter in Oudkerk, die vroeger het bruggeld inde met een klompje aan een hengel. De Friese benaming is een ‘Brêgebidler’. Dat is ook de bijnaam van de mensen in Aldtsjerk.

Er is hier in de buurt veel interessants te bekijken, want niet veel later komen we bij de van oorsprong 17e-eeuwse landhuis de Klinze. Maar voor we er langs lopen gaan we eerst even in een tuinhuisje zitten. Een paar stoelen met kussentjes staan uitnodigend klaar om de vermoeide wandelaar even rust te gunnen. Maar als we het tuinhuisje betreden ruiken we direct dat het meer door de rokers van de Klinze bezocht wordt dan door de wandelaars. Er staat ouderwets een asbak op een  tafeltje en in een bijna volle doorzichtige plastic afvalzak zit niet alleen allerlei rotzooi, maar liggen ook tientallen peuken, vooral sigarenpeuken. Geen wonder dat we bij binnenkomst een wat rokerig geurtje roken. Maar het zit er even prachtig met uitzicht op de Klinze.
Waarschijnlijk verwijst de naam naar de uitdrukking ‘op ‘e Klinke wenje’ (op het mooiste punt wonen). De oudst bekende bewoner was Hessel van Aysma, maar later werd het van 1681 tot 1966 eigendom van de familie Van Sminia. De oude structuur van het stateterrein is intact gebleven. Het park om het gebouw werd net als bij Stania State door de tuinarchitect L.P. Roodbaard aangelegd. Tientallen bomen op het landgoed staan in het Landelijk Register Monumentale Bomen, met name ook de 80 zomereiken langs de lange oprijlaan.
Het landhuis is lange tijd in gebruik geweest als hotel-restaurant. In 2016 is landgoed De Klinze verkocht aan de beddenketen Meulen en Baarsma. Aardig is het dat je daar kunt proefslapen. Momenteel worden er op het landgoed Oekraïense vluchtelingen opgevangen

We lopen, nadat ik wat genuttigd heb verder en maken nog even een mooie slinger door het park dat is aangelegd in de Engelse landschapsstijl. Het is grappig om te lezen dat er wat betreft de aanleg wel drie verschillende data op internet worden genoemd: namelijk omstreeks 1821, 1834 en 1836. Kortom de datum van aanleg is niet bekend.
Als we het park uit zijn, lopen we weer langs de het Oudkerkster Oudland. Bij een kruising van paden moet ik linksaf en gaat Saak rechtdoor. Zij loopt terug naar de Rode Singel bij Stania State. Daar staat ons busje. En ik loop verder richting Readtsjerk.

Het streekdorp Readtsjerk telt nu zo’n 200 inwoners en ligt op een zandrug. Deze zandruggen zijn gevormd in het tijdperk van de twee laatste ijstijden, tussen 370.000 tot 10.000 jaar geleden. In de voorlaatste ijstijd (Saalien) werd Fryslân door landijs bedekt. Uit deze tijd stammen de stuwwallen en keileemgronden en in de laatste ijstijd (Weichselien) werden de dekzandruggen gevormd.
Readtsjerk was in de vroege middeleeuwen omgeven door moeras en veen. De inwoners en later de monniken hebben een deel van het veengebied ontgonnen.

Eenmaal op de Boskwei kom ik langs het oude schoolmeestershuis dat hier in 1861/’62 is gebouwd met daarnaast de school. De kinderen mochten in die tijd niet meer naar de scholen van Aldtsjerk en Mûnein, omdat die in een andere gemeente lagen. De gemeente Dantumadeel moest zelf maar zorgen voor het onderwijs. Zodoende kreeg Readtsjerk een school, die vanaf 1862 tot 1934 heeft bestaan. Daarna werd de school afgebroken, maar het schoolmeestershuis is blijven staan en staat nu bekend als ’t âld skoalhûs.

Pas na een paar kilometer kom ik langs het kerkje dat hier in de 12e eeuw is gebouwd. (Readtsjerk is duidelijk een streekdorp.) Daarvoor stond er waarschijnlijk op een andere plaats ook al een kerkje. Een nog bestaande veldnaam wijst namelijk op de aanwezigheid van een oud kerkhof op twee kilometer ten noorden van de huidige kerk. Waarschijnlijk heeft daar ook een kapel gestaan. Door de hogere stand van het water moest er een nieuw kerkje op een hogere plek worden gebouwd. (Dat zie je in verveningsgebieden veel vaker. Maar niet alleen door de vervening, wordt het gebied natter, maar ook door het agrarisch gebruik van de veengrond. Dat zorgt namelijk voor inklinking en verzakkingen, doordat men het land door sloten te graven droger maakt.
Dat de verplaatsing in de 12e eeuw moet zijn gebeurd, is te herleiden uit het formaat van de tufstenen waarmee de huidige kerk is gebouwd. Deze stenen zijn gemiddeld 10 cm dik en 30-35 cm lang, maar soms wel 45 cm of meer. Een ander feit, dat er op wijst dat het om een zeer oud kerkje gaat, is het gegeven dat er maar weinig openingen in de noordgevel aanwezig zijn. Zelfs een ‘hagioscoop-raampje’ ontbreekt: dat is een raampje ter hoogte van het vroegere priesterkoor, waardoor melaatsen, die niet in de kerk mochten komen, de mis toch mee konden maken. Dit was gebruikelijk tussen de 12e en 15e eeuw. Dit Romaanse kerkje is dus mogelijk één van de oudste in Friesland. Waarvan akte.

.
Na Readtsjerk kom ik weer op de Ottemaweg. Daar heb ik al eerder even over gelopen. Buiten het broedseizoen gaat het NFW-pad hier linksaf om It Waaigat heen, maar nu mag dat op 14 maart niet meer. Ik besluit mij aan de regels te houden en loop braaf over de Ottemaweg naar de volgende afslag. Daar mag ik wel langs, maar loop daarna wel prompt verkeerd. Er staat bij een kruising van paden namelijk geen geel rood teken van dit streekpad. Ik ben ervan overtuigd dat ik buiten het broedseizoen van links gekomen was en lees in mijn beschrijving dat ik rechtdoor moet lopen. Om kort te gaan ik maak een ommetje en kom na een prachtige boogbrug weer op het juiste pad. Maar dat heb ik niet in de gaten. Ik snap er helemaal niks van en heb Google Maps nodig om te zien waar ik nu werkelijk ben. Pas dan realiseer ik mij dat ik verkeerd gelopen ben.       

Enfin, ik zit weer op de goede  route en passeer een poel met de mooie naam Loddehel. Hoe zij bij die naam gekomen zijn weet ik niet. Bekend is dat aan de oostkant van Loddehel archeologische vondsten uit de steentijd zijn gedaan. Dat is wel een erg ruim begrip. De steentijd wordt namelijk onderverdeeld in: de oude steentijd (2,5 miljoen-10.000 v. Chr.), de middensteentijd (10.000-5.300) en de jonge steentijd (5.300-2.000v. Chr.). Ik neem aan dat de vondsten van de jonge steentijd zijn.

Daarna loop ik prachtig langs een sloot die De Wiel heet en met aan mijn linkerkant een meertje. Ik heb niet kunnen achterhalen of die plas een naam heeft. Wel weet ik dat aan de andere kant van die plas het natuurgebied ‘Oer de Wiel‘ heet. Dus laat ik het er maar op houden dat dat meertje ook ‘De Wiel ‘heet.
Ik citeer: ‘In natuurgebied Oer de Wiel in It Bûtenfjild, tussen Feanwâlden en Mûnein, graast de kudde Herefordkoeien van de familie de Jong. De kudde bestaat uit zo’n 35 koeien en wordt op een duurzame manier gehouden. Zo wordt er geen kunstmest gebruikt en blijven de kalfjes ongeveer 9 maanden bij de moeder zogen. Daarnaast krijgt dit type Hereford van nature geen hoorns, dus de koeien hoeven niet onthoornd te worden’.

Ik kom uit op de weg Bûtefjild. Ik sla hier linksaf en even later rechtsaf. Zowel de weg rechtdoor als linksaf heet It Bûtefjild. Ik kom langs een kunstwerk met de naam De Skosse fan It Bûtenfjild (skosse is ijsschots) : Het symboliseert de relatie tussen het verleden, vandaag en de toekomst. In de iistiiden zijn veel stenen uit Scandinavië hier door een ijsberg/ijsplaat terecht gekomen.

En weer loop ik door een gebied met plassen die waarschijnlijk door de turfwinning zijn ontstaan.
Na het Krúswetter loop ik langs de Feanwâldster Feart en de Falomsterfeart, die de begrenzing vormen met het natuurgebied Het Houtwiel: een moerasgebied midden in Nationaal landschap De Noardlike Fryske Wâlden. Het is een afwisselend natuurgebied met moeras, rietvelden, brede sloten, elzenbosjes en graslanden. Het gebied wordt begraasd door Schotse hooglanders en Exmoorpony’s.

Na een mooie slinger kom ik uit op de weg met de prachtige naam: Goddeloaze Singel. Aan deze weg staat ook It Goddeloas Tolhûs, al kom ik daar net niet langs. (Ook bij Lippenhuizen vind je trouwens een Goddeloos Tolhek.) Het heeft die naam gekregen omdat er zou zijn gevloekt en gemoord en het zou er hebben gespookt. Daarover bestaan diverse volksverhalen. Ik sla linksaf en loop via o.a de Schwartzenbergloane en de Patrimoniumwei, met de nodige slingers en slagen richting Damwâld (Damwoude).
Ik citeer: Damwoude was de hoofdplaats van de voormalige gemeente Dantumadeel en is in 1971 ontstaan door samenvoeging van de van west naar oost op elkaar volgende streekdorpen Akkerwoude, Murmerwoude en Dantumawoude die toen al helemaal aaneen gegroeid waren. De drie kernen ontstonden langs een oost-west lopende middeleeuwse bewoningsas, de huidige Voorweg. Het oudste gebouw van Damwâld is de Benedictuskerk. Die dateert uit de twaalfde eeuw en de hoge ouderdom is te zien aan de sterk gebogen tufstenen. Tufsteen is een vulkanisch gesteente dat o.a. werd gewonnen in de Groeve Altenberg bij Weibern in de Eifel. De tufsteen werd in de Middeleeuwen veel gebruikt, maar moest wel over een behoorlijk afstand worden aangevoerd. Bakstenen waren al vanaf 5000 voor Christus bekend (in Mesopotamië), maar werden hier pas in de late middeleeuwen voor het eerst gebakken. Dat had alles te maken met de schaarse brandstof.
Ik kom maar door een heel klein gedeelte van Damwâld en loop via het Fermanjebosk (Vermaningsbos) richting de snelweg. Daarna kom ik op de Johannes Durksloane terecht, die parallel aan de drukke N356 loopt. Het duurt daarna niet lang meer of ik zie ons busje al staan. Eenmaal bij de Dwarsloane stap ik bij Saak in de bus en laat mij nagenietend van de tocht en genietend van mijn 0%je naar huis rijden.

Geef gerust je reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.

Back to Top