20 – 3 – 2025
3e traject van het Noardelike Fryske Wâlden Streekpad: Van de rotonde bij Damwâld naar Feankleaster 24 km
We starten deze morgen in Damwâld bij de rotonde naast de N356. Daar moeten we direct onderdoor en lopen daarna op enige afstand parallel aan die weg over het Broekhústerpaad. Ik veronderstel dat die ú in de volksmond regelmatig vervangen is door een oe, maar het is verder een keurig fietspad. Een man met hond in een mini karretje (van Hanomag als ik me niet vergis), rijdt aan de andere kant van de sloot naast het pad door het weiland. Wat hij precies aan het doen is weet ik niet, maar het lijkt of hij wat inspecteert. Hij steekt vriendelijk groetend de arm omhoog. Wij zwaaien terug.
Via het Halepaad komen we daarna op de Broekloane, maar dat is maar even. We moeten namelijk direct al weer rechtsaf over het Spyckhernsterpaad, dat weer een fietspad is. Heb de indruk dat men de toerist hier met al die fietspaden wat probeert te bieden en tot nu toe lijkt me dat aardig gelukt. Nadat we om een mobiele houtzagerij zijn gelopen, kom we uit op de Gouweloane. Tot onze verbazing komen we daarna weer op een fietspad met de naam Spyckhernsterpaad, Met houtwalletjes omgeven liggen deze paden er smúk bij. En hoewel er nog nauwelijks een blaadje te zien is, begin ik spontaan het eerste couplet van de Wâldsang te zingen: Moai, sûnder wjergea binne de Wâlden, Smûk skaadzjend beamtegrien oeral yn ’t rûn, Blier laitsjend boulân, tierige greiden, Sjongende fûgels, sânich de grûn. Die laatste zin moet twee keer gezongen worden, maar daarmee houdt mijn kennis van dit lied van Harmen Sytstra wel op. En van mijn vrouw Saak hoef ik ook geen steun te verwachten. Zij kijkt mij aan en zegt niks.
We komen na mijn aubade op de Fryske Wâlden uit op de weg De Sânharst. Ik neem aan dat harst een horst is en dat is een beboste hoogte in een moerassig gebied. Daar kan hier best wel eens sprake van zijn geweest. Van de Sânharst hoeven we echter nauwelijks gebruik te maken, want al na een dikke vijftig meter moeten we vlak na een cortenstalen ‘wapen’ van Driezum en Walterswâld al weer rechtsaf over het Brakkenspaad. We duiken nu echt de landerijen in.
Plotseling zien we voor ons een heuveltje met daarop een bankje. Het is prachtig weer en we besluiten daar naar toe te lopen. Op een steen naast het Brakkenpaad staat dat het zitje door de toenmalige gedeputeerde Anita Andriesen is onthuld. Ik heb deze veel te jong overleden politica gekend en herinner mij haar als een prachtig mens dat als PvdA gedeputeerde echt een verbinder was. Ze crosste met haar autootje met daarop ‘it Bildts Roasie’ de hele provincie door. Ik moest er even aan denken.
Nadat we daar even prachtig gezeten hebben ( en wat gedronken) lopen we terug naar het Brakkenpaad.. We lopen nu een poosje langs de Petsleat. De vaart heeft tussen het Bergumermeer en het Dokkumer Grootdiep op vier plaatsen andere namen, maar die zal ik je besparen. Verrassend is dat we op een bepaald moment wat getuf achter ons horen en we hetzelfde mannetje met hond zien die we langs het Broekhústerpaad zagen. Hij zwaait enthousiast en wij ook. in zijn Hanomagje kan hij gemakkelijk over het fietspad en even later zien we hem zelf de fietsbrug over rijden, die daar over de Petsleat ligt.
Als wij over de fietsbrug zijn gekomen neem ik afscheid van Saak. Zij loopt langs de andere kant van de Petsleat terug naar ons busje en ik loop het natuurgebied de Zwagermieden in. Maar als het fietspad op de Petsleatswei uitkomt, word ik net als de vorige keer geconfronteerd met een omleiding. Ik mag tijdens het broedseizoen niet rechtsaf, maar moet volgens het bordje op een paal linksaf. Op dat moment komt er een jongedame op skeelers aan die wel die weg rechtsaf neemt en ik besluit haar te vragen of het toch niet mogelijk is om die route te wandelen. Ze heeft de vaart er in en roept: “Wacht even hoor.” Het skeeleren gaat haar duidelijk beter af dan plotseling remmen en ik ben zelfs even bang dat ze valt. Maar na 20 meter heeft ze de zaak onder controle en komt op mij toe geskeelerd. Ik leg haar uit wat ik aan het doen ben en ze legt me daarna keurig uit dat ik wel over de weg kan lopen, maar op een bepaald moment dwars door het natuurgebied ga en dat dat pad nu is afgesloten. Ik bedank haar en zwaai nog even als ze haar weg vervolgt. Altijd leuk als je aardige mensen onderweg ontmoet.
Ik loop verder over de Petsleatswei en kom even later op de Miedwei. Hoewel het hier een normale weg is trekken de vogels zich daar niets van aan want ik loop echt midden door honderden vogels, vooral ganzen. Heb dan ook niet de indruk dat ik veel gemist heb door deze omleiding, want ik kan het totale gebied overzien en zie daar geen opvallende dingen. Wel wordt mijn route door die omleiding 1,5 km korter en ach, daar kan ik wel mee leven.
Op een kruising van paden, moet ik linksaf. Ik zit dan weer op de route en loop over een fietspad, dat hier het Hamsterpaad heet, richting Westergeest. Ik loop nog steeds door de Zwagermieden en maak bij een vogelkijkhut een paar foto’s. Het is hier een mooie wereld en daarom toch nog even wat achtergrondinformatie over de Zwagermieden.
Met dank aan Wikipedia: ‘De Zwagermieden maken deel uit van de zogenaamde Natte As, een strook van aaneengesloten natte natuurgebieden die van zuidwest naar noordoost dwars door Friesland loopt. Het natuurgebied is eigendom van Staatsbosbeheer en een aantal boeren en is ongeveer 390 hectare groot. Het bestaat voornamelijk uit natte open weilanden en rietlanden, met in het zuiden wat meer begroeiing. Sinds de 13e eeuw werd turf gewonnen uit Zwagermieden dat tijdens het interglaciaal ontstaan is. Door turfwinning en ontwatering verdween het 6 meter dikke hoogveenpakket en daalde de bodem. De smalle lange weilanden dateren uit deze periode en zijn nog zichtbaar in het veenweidegebied op de hoogtekaart. Rondom 1400 verdween de bewoning naar de dan hogere dekzandruggen van de Friese Wouden. Tegen het einde van de Middeleeuwen was de ontginning voltooid. Mieden zijn laaggelegen hooilanden, ongeschikt voor bewoning, die niet bemest werden omdat ze vaak ver van de boerderij lagen.’
Wat opvalt is de enorm dikke turflaag. Om die te vormen is er 6000 jaar veengroei nodig geweest. En wat nog meer opvalt is dat aan het eind van de Middeleeuwen de turf hier al was afgegraven, terwijl de turfwinning op veel andere plaatsen nog moest beginnen.
Na mijn bezoek aan de vogelkijkhut steek ik met een mooie heechhout ( een hoge brug) al snel de Sweager Feart over en loop daarna naar de Kalkhuisbrug die over de Stroobosser Trekfeart ligt. Eenmaal over de Trekfeart loop ik zo Westergeest binnen. Maar voor ik dat doe maak ik nog even een foto van een paar oude foto’s die daar bij die brug zijn neergezet. Later zie ik er nog veel meer in Westergeest. Het zijn foto’s van de oude situatie en geven je een mooi beeld van de verandering die er hier heeft plaats gevonden.
De plaatsnaam Westergeast duidt oorspronkelijk op het Oudfriese woord gast (geest), wat hoger gelegen zandgrond betekent. De latere toevoeging ‘wester’, werd toegevoegd om het te onderscheiden van Wygeast, dat oostelijker ligt. In de periode 1811-1816 vormde het dorp samen met Oudwoude de gemeente Westergeest/Oudwoude.
Ik loop langs een prachtige robuuste kerk die hier rond 1200 door de monniken uit Dokkum werd gebouwd. Deze benedictijner monniken uit de St. Bonifatiusabdij hebben voor de kerkbouw in Westergeest mogelijk de Dokkumer abdijkerk als model gebruikt. De gevels hebben veel nissen en vensters van allerlei vorm en in het koor zijn een kleine hagioscoop en piscina te herkennen. Wat een hagioscoop is, heb ik al eens uitgelegd. Omdat in de kerken voor een leek vaak moeilijke namen worden gebruikt, hier even de verklaring voor een aantal zaken die met deze kerk te maken hebben.
Een piscina is een ondiep bekken naast het altaar of in de sacristie van een kerk dat wordt gebruikt voor het wassen en afvoeren van het water waarmee men het altaarlinnen en het purificatorium wast.
Een purifacorium is een kelkdoekje, een lapje van wit gesteven linnen dat in de eucharistieviering wordt gebruikt om na de communie de miskelk te reinigen en vooral te drogen,
Een sacrarium of heilig putje is de afvoer zelf, maar wordt soms ook als synoniem van piscina gebruikt voor het hele bekken. Ook wordt soms het woord lavabo gebruikt. Piscina’s zijn vaak gemaakt van steen en uitgerust met een afvoerpijp die rechtstreeks naar de grond loopt. Wanneer resten van de geconsacreerde (gewijde) hostie dan werden weggespoeld stroomde het op het kerkhof, zodat ook de doden op het kerkhof (gewijde grond) hun deel van het sacrament zouden krijgen. Die laatste zin is van mij. Weet niet of ik dat goed geformuleerd heb, maar heb sowieso soms wat moeite met het Christendom, laat staan met de betekenis van een sacrament: een gewijde handeling waardoor God komt tot de mens. Ik zou zeggen amen (het zij zo).
Nadat ik over de Eelke Meinertswei door Westergeast gelopen ben, kom ik weer bij de vaart die hier niet meer de Petsleat heet, maar de Nije Swemmer. Ik loop dan over de Prellewei. Als ik even op een bankje wat zit te eten en te drinken, zie ik ineens het Hanomagje weer aan komen tuffen. Wat die man precies doet of inspecteert mag Joost weten, maar hij is nu al minstens een paar uur onderweg. Als hij mij voorbij tuft, is de herkenning duidelijk wederzijds, want we zwaaien allebei nog uitbundiger dan de vorige keren.
Wat hier langs de Nije Swemmer verder opvalt is dat men de gewone man met zijn eenvoudige stacaravan nog niet van de camping heeft gejaagd. Stokoude stacaravans staan daar nog mooi langs de Swemmer, waar de tijdelijke bewoners dankbaar gebruik van maken om in te vissen.
Na mijn korte ‘break’ ga ik bij paddenstoel 17444 naar rechts en loop over het Prellepaad richting Wygeast dat vlak boven Aldwâld ligt. Het is weer een mooi pad dat dwars door de landerijen loopt.
Via de Swartewei loop ik Wygeast binnen. Het voormalige dorp/gehucht zou net als Aldwâld (daar valt het onder) in de 10e of 11e eeuw ontstaan zijn op een hoger gelegen zandgrond. Zoals ik al eerder heb verteld noemt men een hoge zandkop ook wel een geest. Een andere, maar mogelijk verwante verklaring, is dat geest verwijst naar een akkerlandcomplex omringd door laaggelegen klei- of veengrond. Deze verkaveling is vergelijkbaar met Westergeest en Rinsumageest. Net als deze dorpen vertoont het nederzettingspatroon van Wygeast overeenkomsten met dat van een esdorp.
In 1470 werd Wygeast vermeld als Wygast, Waar het eerste element op duidt is onbekend. Gedacht werd aan ‘heilig’ via het Germaanse woord wîh of aan uitgestrekt via het woord wijd. Aldwâld zou mogelijk door ontginning in zuidelijke richting ontstaan zijn vanuit Wygeast, Maar ter geruststelling van Aldwâld wordt ook wel gesteld dat Aldwâld vanwege de enigszins grillige blokverkaveling ouder is dan Wygeast. Kortom, men weet het niet.
Wat wel bekend is, is dat er In de buurt van Wygeast enkele middeleeuwse stinsen stonden: dit zijn de Allemastate (die bestaat nog), de Bumastins en de Eysmastins.
Na Wygeast loop ik via de Boskreed en de Feartsichtwei naar de N358. Daarbij kom ik langs een weiland vol met geiten en dat is beslist geen alledaags gezicht. Ben wel benieuwd hoe lang ze dat met die ophef over de Q-koorts nog volhouden.
Eenmaal bij de N358 steek ik die over en vind aan de overkant een soort zitje alls een herinnering aan de afronding van de Landinrichting Kollumerland. Vandaar heb je zicht op het Sjoukje Muoisgat.
Citaat: ‘Het Sjoukje Muoisgat is een gebied van circa 40 ha dat tot voor kort landbouwkundig in gebruik was. In het gebied ligt een aantal dichtgeslibde slenken en prielen die nu weer hersteld worden. Met de grond die vrijkomt, wordt een nieuwe kade om het gebied heen gelegd. Het gebied krijgt een eigen waterpeil dat is afgestemd op de ontwikkeling van vooral vegetatie, waarbij kwelinvloeden ook een belangrijke rol spelen. In de nieuwe slenken zal naast open water vooral ook rietbegroeiing ontstaan. Een klein gedeelte komt vrij voor de boezem te liggen.’
Ik loop verder richting Kollum en zie tot mijn verrassing dat ik er dwars doorheen loop. Daarmee doen de ontwikkelaars van dit pad mij een plezier. Ik krijg een mooi beeld van Kollum, al loop ik wel dankzij Foekje Dillema verkeerd. Ze is in Kollum gestorven in 2007 en wordt nu met een meer dan levensgroot portret op het verzorgingshuis Meckama State geëerd. Foekje werd geboren in Burum, maar leefde het grootste deel van haar leven in Kollum. Ze heeft ook in Meckema State gezeten. Vandaar
Foekje was een bijzonder getalenteerd atlete die het op de 200 meter van Fanny Blankers Koen won. Een verhaal wil dat Fanny tegen haar man gezegd heeft dat ze niet meer tegen een kerel wilde lopen. Pikant is daarbij dat haar man in het bestuur zat van de Atletiekunie. Overigens werden er al vanaf de jaren dertig vraagtekens geplaats over de deelname van sommige vrouwelijke atleten met manlijke kenmerken. Maar het volgende citaat is toch wel schrijnend.
Het is juli 1950. ‘Op weg naar een toernooi in Frankrijk, halen bestuursleden van de Nederlandse Atletiekunie Foekje Dillema uit de trein. Op het perron van station Hilversum vertellen ze haar dat haar reis hier stopt. Ze zal nooit meer in de atletiekcompetitie mogen uitkomen. Als ze haar koffer ophaalt uit de coupé, vragen haar teamgenoten wat er aan de hand is. Ze antwoordt: “Ze zeggen dat ik geen meid ben.” Ze heeft daarna nooit meer gesport.’
Omdat ik de Meckema State met het beeld van Foekje goed op de foto wil zetten let ik even wat minder op de route. Maar gelukkig duurt mijn ‘misstap’ niet al te lang en kom ik met een ommetje in de Voorstraat en langs het Rechthuis. Daar moet ik langs. Maar eerst even wat over Kollum zelf.:
Kollum is een vlecke, ofwel een dorp met kleinstedelijk karakter. Het dorp is in de vroege Middeleeuwen ontstaan op de rand van een zandplateau als een nederzetting bij de direct met de zee in verbinding staande Dwarsried. Een deel van Kollum is een beschermd dorpsgezicht. Omdat Kollum in het verleden altijd een centrale plaats in de regio in nam, was er bij de ondernemers van het dorp een relatief redelijke welvaart. Wel relatief, omdat het dorp in een van de armste regio’s van het land ligt.
Lopend door de Voorstraat is die welvaart het beste terug te zien aan de gevels, waarbij typische Hollandse gevels als de trapgevel, lijstgevel en de klokgevel de huizen sieren. In totaal bezit Kollum 35 rijksmonumenten, waaronder Oostenburg. In dit voormalige armenhuis van Kollum, dat is opgetrokken op de fundamenten van de buitenplaats Oostenburg (gebouwd in 1775), is sinds 2018 het Kollumer Museum Mr. Andreae gevestigd.) Ook het prachtige in 1808 in eclectische stijl gebouwde raadhuis, waarin zowel classicistische als neo-renaissance stijlen zijn verwerkt, is op de rijksmonumentenlijst terug te vinden. En natuurlijk de Nederlands hervormde kerk van ca. 1400, met oudere toren en een rectorenbank van de vroegere Latijnse school,
Ik loop even een eindje de Westerdiepswal op, waardoor ik een goed beeld heb van een groot wit gebouw, met op de gevel de naam Rechthuis. Hier was in 1797 het Kollumer Oproer: De Franse overheerser wilde mensen recruteren voor de burgerbewapening om daarmee de prinsgezinden te bestrijden. Maar door de arrestatie van de prinsgezinde Abel Reitzes, die in het Rechthuis werd opgesloten, ontstond er een opstand. Op 3 februari trokken honderden inwoners van de westhoek van Kollumerland en van het aangrenzende heidedorp De Westereen op naar Kollum. Leiders waren Jan Binnes (boer te Veenklooster) en Salomon Levy (een joodse koopman uit De Westereen). Zij bedreigden de patriotse rechters/bestuurders met de dood, waarbij vooral Jan Binnes zich niet onbetuigd liet. Door de plaatselijke smid werden de boeien van Abele Reitzes doorgevijld, die hiermee dus weer vrij kwam. ’s Avonds werd er krijgsraad gehouden in De Westereen. Er werden wapens ingezameld. Die nacht werd Kollum echter bezet door schutters uit Dokkum, het bolwerk van de patriotten in Noord-Oost-Friesland.
Het mag duidelijk zijn dat het er niet zachtzinnig aan toe ging. Maar liefst 168 mensen werden voor die opstand gearresteerd door de patriotten. Twee van hen, Jan Binnes en Salomon Levy werden later in Leeuwarden terechtgesteld (onthoofd).In 2023 heeft men in Kollum een standbeeld van Jan Binnes geplaatst bij het rechthuis, ondanks het feit dat hij zich tijdens die opstand (volgens een familielid) zwaar heeft misdragen: Hij heeft huizen van bestuurders van Kollumerland, maar ook van provinciebestuurders vernield met zijn medestanders. En hij heeft mensen mishandeld, zelfs in aanwezigheid van vrouwen en kinderen.
Enige kanttekening die ik er bij maak is, waarom men alleen een standbeeld van Jan Binnes heeft laten maken en niet van Salomon Levy. Maar misschien hoor ik dat nog eens.
Als ik verder loop door de Voorstraat, kom ik langs de Maartenskerk. Ik citeer: De oorspronkelijke kerk, die in het begin van de 12e eeuw werd gebouwd van tufsteen, is geheel verdwenen. De in het begin van de 13e eeuw eveneens van tufsteen gebouwde toren is wel gedeeltelijk bewaard gebleven. De huidige kerk dateert van het midden van de 15e eeuw, toen werd ook de toren verhoogd met een bakstenen gedeelte. De kerk kreeg toen zijn gotische uiterlijk’. .
Conclusie moet wel zijn dat Kollum een rijke geschiedenis heeft en dat er veel interessants te bekijken is. Maar het mag duidelijk zijn dat ik daarvoor geen tijd heb.
Als ik Kollum uit loop, passeer ik nog een alleraardigst vijvertje en kom niet veel later bij een brug weer over de Stroobosser Trekvaart. Deze vaart werd in de jaren 1654 – 1656 gegraven in opdracht van het stadsbestuur van Dokkum. Het deel van de trekvaart tussen Kollum en Gerkesklooster was in de 16e eeuw al aangelegd. Dokkum dacht door een betere verbinding over het water met Groningen meer scheepvaartverkeer aan te trekken. Naast de vaart loopt een jaagpad waarop de paarden konden lopen die de trekschuit moesten voortbewegen. Door de hoge kosten van de aanleg van de vaart ging de stad Dokkum echter failliet. Het eigendom van de vaart kwam toen in handen van een groep schuldeisers, die jarenlang een aantal tolhuizen aan de vaart exploiteerden. De opbrengst daarvan moest er voor zorgen dat de vaart zijn geld opbracht.
Ik steek direct na de brug de Trekweg, de N910 over, en vervolg het Wâldenpad over de Tollingawei. Na nog wat slingers en bochten loop ik Buitenpost in. Maar hier kom ik niet door het centrum Wel kom ik, nadat ik het spoor ben overgestoken, vlak langs de botanische tuin De Kruidhof waarin het ijstijden museum is gevestigd. In het museum wordt het verhaal verteld over de twee laatste ijstijden. Die hebben een grote rol gespeeld bij de vorming van het landschap in Noord-Nederland en die van Noord-Oost Friesland in het bijzonder. Ook laat het IJstijdenmuseum zien hoe onze voorvaderen leefden, op welke dieren zij jaagden en hoe zij van zwerfstenen jachtwapens maakten.
Interessant dus, maar op deze dag niet aan mij besteed. En om eerlijk te zijn, heb ik zelfs geen glimp van de botanische tuin en het museum opgevangen.
Wel loop ik tegen de meubelboulevard van Kapenga op. Piet Kapenga heeft die showroom hier in 1968 geopend. Ik heb het opgezocht, omdat ik in 2004 met Piet en een aantal anderen van Garyp naar Scitu Stavnic in Roemenië gefietst ben. In mijn boek ‘Et hoeft niet et is vrijwillig, wordt Piet nog een paar keer aangehaald. Zulke gedachten plopten toen ik er langs liep.
Even buiten Buitenpost kom ik langs de Haersma State. Dat is nu een stelpboerderij, maar tot 1913 stond hier een groot herenhuis. Toen werd het afgebroken.
In 1841 werd het bewoond door de grietman Daniel de Blocq van Haersma de With. Wat opvalt is dat deze in 1841 visite kreeg van de koninklijke familie, die dan een bezoek brengt aan de twee noordelijke provincies. Dit was koning Willem II met zijn vrouw Anna Pawlona van Rusland. Over dat bezoek bestaat een aardige anekdote:
‘Op weg naar Groningen, deed de koninklijke familie de Haersma State aan. De Leeuwarder Courant maakte melding van deze gebeurtenis en schreef onder andere: “Het landhuis van den Heer Grietman was met smaak versierd, vele Aanzienlijken waren aldaar genoodigd en een keurig Dejeunée werd aangeboden”.
Volgens overlevering binnen de familie Van Haersma zou de koning bij vertrek uit Buitenpost hebben gezegd dat hij iets voor de heer grietman wilde doen. Van Haersma de With zou toen gezegd hebben: “Sire, mijn enige wens zou kunnen zijn dat U de tot mijn dochter gesproken woorden waar maakt. U begroette haar met: “Goedemorgen, Freule”. De koning zou op deze vrijpostige uitlating hebben geantwoord: “Mijnheer, ik nobileer U”. Bij Koninklijk Besluit van de dag van het koninklijk bezoek op Haersma State, 26 juli 1841, werd mr. Daniël de Block van Haersma de With door de koning uit eigener beweging verheven in de adelstand, dus zonder dat daartoe is gerequestreerd. Zijn nakomelingen mochten het predikaat jonkheer en jonkvrouw voeren. Negen jaar later, in 1852, bracht koning Willem III een bezoek aan de familie op Haersmastate’.
Nadat ik even verder weer over het spoor gekomen ben, loop ik een kleine twee kilometer parallel aan de Lauwersmeerweg. Wel moet ik halverwege door een tunneltje onder de weg door en loop ik verder over een laantje met de naam Pibo van Domapaad. Om eerlijk te zijn las ik eerst Pipo van Doma en moest toen natuurlijk ogenblikkelijk aan Pipo de Clown denken. Een duidelijk geval van wat je denkt dat er staat en niet gewoon leest wat er staat. Ik had zelfs Pipo van Domalaan ook al in dit verhaal vermeld, tot ik een dag later door Saak gecorrigeerd werd. Daarna direct de fout hersteld.
In ieder geval moet ik na die laan linksaf over de Fogelsanghloane en ben ik nog niet van Pibo af. Want in 1646 wordt Pibo Doma, eigenaar van de Fogelsangh State. Hij noemt zich geen Fogelsangh, maar Doma, de achternaam van zijn moeder. Dat ‘Van Doma’ ( van dat laantje) komt in ieder geval in de familie voor want de naam Pibo van Doma, kom je al in de 14e eeuw tegen. Pibo is afgeleid van Piebe van Doma.
Maar genoeg gepiboot. Aan het eind van de Fogelsangloane staat Saak op mij te wachten en zit mijn etappe er op.





































































