7. Van Earnewâld naar Burgum

7. Van Earnewâld naar Burgum

7e etappe Noardelike Fryske Wâldenpaad

Van Earnewâld naar Burgum ( 20 km)

18 – 4 – 2025

Als we de auto bij de Agneskerk in Earnewâld hebben geparkeerd, starten we na de koffie de laatste etappe van het NF Wâldenpaad met een tocht door het Nationaal Park De Alde Feanen ( De Oude Venen). Voor ik met de beschrijving van de route begin eerst nog wat informatie over De Alde Feanen:
Het gebied heeft een oppervlakte van bijna 4.000 ha. Het is het grootste aaneengesloten natuurgebied op het vasteland van de provincie Friesland. Maar wat is nu een Nationaal Park? Dat heb ik maar even opgezocht: Het is een park waar de bescherming van de natuur en de natuurlijke processen voorop staat. De IUCN (International Union for Conservation of Nature) formuleert het als volgt: Een natuurgebied van aanzienlijke omvang, waarbij de hoogste autoriteit zich verantwoordelijk voelt voor de bescherming van de natuur.
In ieder geval is het gebied De Alde Feanen van internationale betekenis en redelijk uniek, omdat er buiten Nederland niet veel van zulke gebieden te vinden zijn. Het bestaat uit een gevarieerd laagveenmoeras met meren, veenplassen, petgaten, trilvenen, veenmosrietlanden, blauwgraslanden, rietlanden, dotterbloemhooilanden en moerasbossen. Er komen meer dan 500 soorten hogere planten voor, waaronder verschillende soorten zeggen en orchideeën. Er broeden meer dan honderd verschillende soorten vogels. En in de winter vind je in het gebied grote aantallen ganzen, eenden en steltlopers. In het vroege voorjaar kunnen enkele tienduizenden steltlopers zoals kemphaan, grutto en wulp doortrekken.
En verder heeft het gebied een duidelijk recreatieve functie: Honderdduizenden mensen bezoeken het gebied die miljoenen euro’s in het laadje brengen. Earnewâld heeft zich dan ook ontwikkeld tot een belangrijk toeristendorp

De Alde Feanen maakt deel uit van het Lage Midden, een brede band van veengronden, die van Dokkum naar Stavoren loopt. Door de turfwinning ( gemiddeld lag er meer dan 2 meter veen in het gebied) werd het gebied nog lager en ontstonden er mede door wind en water grote plassen. Omdat in de loop der eeuwen steeds meer delen van Friesland werden bedijkt (waardoor het water minder snel weg kon stromen) , kreeg men in het Lage Midden steeds meer te maken met hoge waterstanden. Die wateroverlast is pas in de loop van de twintigste eeuw verdwenen, maar grote delen van het gebied zijn nog steeds nauwelijks bewoond.

Earnewâld kon zich wel vanaf de 13e eeuw ontwikkelen omdat het op een zandhoogte ligt. Maar het heeft nog tot in de 20ste eeuw geduurd voordat het dorp over land goed te bereiken was. In 1919 werd namelijk het gebied rondom Eernewoude bedijkt en werd er een gemaal gebouwd. Daarna nam de belangstelling voor het natuurbehoud rond Earnewâld toe, want in 1923 kocht de Vereniging Natuurmonumenten de eerste drie hectare, de Rengersmiede, in het gebied aan. Daarna volgden aankopen van het in 1930 opgerichte Fryke Gea: in 1934 werd Het Princehôf (134 hectare) aangekocht, dat in de 17e en 18e eeuw het jachtterrein was van de Friese stadhouders. Nu bezit It Fryske Gea er meer dan 2500 hectare.

Na deze introductie lopen we vanaf de parkeerplaats langs de Agneskerk, die we goed kennen. Bijna elke 4 mei komt de familie van Saakje hier bijeen om de doden te herdenken. Op het kerkhof staat een steen voor haar oom, die in Indonesië is gesneuveld en daar ook ligt begraven. Elk jaar wordt er op 4 mei even aandacht aan besteed.
Na de Agneskerk, slaan we rechtsaf en lopen we over Het Krûspaed naar de haven. Bij de haven staat een beeld van De Fisker van David van Kampen. Het staat er al bijna 50 jaar en is een mooi eerbetoon aan al die mensen die in Earnewâld vroeger van de visvangst moesten leven. Ik loop er even naar toe en zet hem op de foto. Nadat we nog even langs de haven lopen gaan we verder over de Wiidswei, waaraan ook It Fryske Gea zit. Met een afschuwelijk lelijke groene topgevel wil men blijkbaar laten zien dat It Fryske Gea er voor de natuur is, maar ik heb sterk de indruk dat men van enige esthetiek geen bal verstand heeft. Het past totaal niet in het straatbeeld.

Aan de Wiidswei hadden Saak haar ouders vlak na de oorlog een vrachtbedrijf. Ze wijst mij het roodstenen huisje aan. “De garage die er vroeger naast stond is gesloopt,” zegt ze. ‘Tiiden hawwe tiiden’ zeggen de Friezen en daar hebben ze gelijk in. Alles veranderd.
Na de Wiidswei lopen we over een groot parkeerterrein naar de Smidswei. We waren duidelijk wat afgeleid, want dit is niet de officiële route. Langs de Smidswei zit het befaamde hotel-restaurant Princehof. Wij zien alleen de achterkant, maar het mag duidelijk zijn dat de voorkant er heel wat fleuriger uitziet en uitkijkt over het water.   

Na het Smidspaed komen we op een fietspad terecht. We lopen daarna tussen de Ringfeard en It Siidsdjip door, dat later de Lange Sleatten heet. Een vrij groot vrachtschip komt ons achterop en het is duidelijk dat het water hier niet alleen voor de recreant is.
Als we het pad langs de Lange Sleatten verlaten, komen we over een niet al te best bruggetje op een graspad terecht. We lopen daarna langs een sloot met de naam  Fjirtig Mêdsleat. Deze ligt langs het gebied Fjirtig Mêd. Als ik dat letterlijk vertaal betekent het ‘veertig halve hectares’. Vroeger kon één man met de zeis per dag ongeveer een halve hectare maaien. Dat werd een mêd genoemd.
Nadat we over de Fjirtig Mêdsleat zijn gekomen lopen we over een pas (opnieuw) opgeworpen dijkje dat er niet bepaald gladjes bij ligt. Gelukkig wordt daarna het pad beter: er zijn houtsnippers op gestrooid en het pad ligt er daar dan ook keurig bij.
Na een paar slingers en slagen komen we op de Dominee van der Veenweg, Opvallend is een prachtige gestileerde vogel boven op een hokje. Ik heb niet kunnen zien waar die van gemaakt is, maar het ziet er in ieder geval prachtig uit.
Als we de Dominee van der Veenweg verlaten, komen we na een paar klaphekjes door het Wikelslân. We lopen hier ook langs een ooievaarsstation  en dat is duidelijk te zien. In het gebied zijn de veenafgravingen nog te herkennen. Het moet ongetwijfeld een heidens werk zijn geweest om in deze natte omgeving het veen boven water te krijgen.

Op de grens met het gebied ‘Reid op ‘e Krite’ vinden we een prachtige uitkijktoren. We verheugen ons er op om bovenop wat te drinken. Maar eenmaal boven blijken daar geen bankjes te zijn aangebracht. Dat is een tegenvaller en we besluiten daarom maar om van de picknicktafel gebruik te maken die aan de voet van de toren staat. Het zit daar ook wel mooi, maar bovenop zou toch mooier geweest zijn.
We lopen daarna langs de Earnesleat naar de weg Feantersdyk, omdat een verdere tocht door het natuurgebied vanwege het broedseizoen verboden is.
Eenmaal op de weg neem ik afscheid van Saak en loop ik verder met een grote bocht om de gebiedjes “Reid om ‘e Krite en De Bolderen. Wel kom ik na de grote bocht in de Feantersdyk nog over een heel aardig paadje dat langs de Eamewarrepoel ligt. Ik blijf het gek vinden dat ik hier in het gebied de Noardelike Fryske Wâlden ben, terwijl ik niets anders zie dan water, riet en wat struikjes.  Maar verder is het er prachtig en geniet ik van het landschap.
Het pad komt uit op de weg Earnewarre. Na de kruising met de Feantersyk loop ik over de weg Sigerswâld naar Sigerswâld, niet te verwarren met Siegerswoude, dat ook Sigerswâld genoemd wordt.

Tegenwoordig is Sigerswâld een buurtschap van Garyp. Vroeger echter was het een echt dorp met een eigen kerk en aanverwante rechten. Tegen het einde van de 15e eeuw was het dorp ontvolkt geraakt en de kerk een ruïne geworden, het dak was ingestort en alleen nog wat muren stonden overeind. In 1482 kreeg dit verlaten oord bezoek van 5 zusters uit Hoorn (N.H.), die vanwege oorlogsgeweld ( de Hoekse- en Kabeljauwsetwisten) de vlucht hadden genomen naar Friesland. Zo kwamen zij in Garyp terecht, waar zij van de pastoor hoorden dat er in Sigerswâld een vervallen kerkje stond. Citaat: ‘Tegen de muuren maakten de gemeide zusters een kerkje van sparren en riet, daar ze dan voor het eerst onder dak waren. Verscheidene vroome luiden, door ’t goede leeven en de strengheit van die Zusters getroffen, beweezen haar hunne mildadigheit, zoodat de Zusters de handen nu ruimer hebbende, de kerk begosten schoon te maken en het dak op te timmeren. En nadat ze de toestemming van het gansche land en die van de Utrechtsche Bisscop David van Borgonje bekomen hadden, hebben ze een vrouwenklooster begonnen te bouwen.’ 
Dit kreeg de naam Sinaï. Op het laatst omvatte het heel wat meer dan een klooster, want men kreeg er een kerk, een ‘bouwhuys’ (in de 16e eeuw in de Wouden een boerderij voor akkerbouw) en een ‘spinhuys’ (waarschijnlijk om hun eigen kleding te maken). De Reformatie zorgde er echter ook in Friesland voor dat in 1580 de Roomse kerk verboden werd en dat kloosters verlaten moesten worden. Nadat de ‘Wite Susters’ het klooster hadden verlaten werden de gebouwen in 1581 in brand gestoken.

Nadat ik Sigerswâld achter mij gelaten heb, kom ik over de Mounehoek onder de Wâldwei door. Maar voor ik daar onderdoor ga, maak ik nog even gebruik van een heel aardig zitje vlakbij de tunnel om wat te nuttigen.
Eenmaal onder de tunnel door loop ik door de landerijen over De Broek en de Schepersloane richting Sumarreheide. Maar voor ik daar ben maak ik nog een klein ommetje over de Bosweg en loop pas daarna via de Poelsleane naar het dorp. Maar echt er door kom ik niet. Ik loop er in feite aan de oostzijde langs 

Hierna kom ik onder de vierbaansweg de Centrale As door, die van Nijega naar Dokkum loopt.
Even loop ik parallel met deze weg, maar dan mag ik over een smal pad naar Sumar. Ik weet niet of fietsers hier ook gebruik van maken, maar elkaar passeren is hier onmogelijk. Ik kom geen mens tegen en dan is het een lust om daar te wandelen.
Het is slechts 1 kilometer en voor ik het weet loop ik Sumar binnen. Het valt op dat ik hier wel doorheen moet lopen en dat is voor mij geen straf. Na wat nieuwbouw kom ik op een T-splitsing bij de oude wegen Knillis Wytseswei en de Greate Buorren. De eerste weg is vernoemd naar Knilles Wytses van der Wal, die zich hier tot natuurgenezer ontwikkelde en zowel dieren als mensen kon genezen.
Citaat: Sumar is een dorp met 1375 inwoners en ligt 2 kilometer ten zuiden van het Burgumer Mar. In de prehistorie was dit een gebied met rondtrekkende jagers en verzamelaars. Zowel aan de oevers van het Burgumer Mar als dichtbij Sumar zijn archeologische vondsten gedaan. Sumar was tot aan de 19e eeuw vooral een boerengemeenschap. Buiten Sumar staan nog een paar monumentale boerderijen die herinneren aan deze tijd. Naast Korenmolen de Hoop is de kerk uit 1769 een blikvanger. In deze kerk zitten prachtige gebrandschilderde ramen.’  

Als ik Sumar bijna uit ben, zie ik bij een rotonde een prachtig beeld (1999), dat gemaakt is door Anne Woudwijk. Ik heb grote bewonderring voor deze beeldhouwer, die het begrip beeldhouwen altijd letterlijk heeft opgevat. Alleen met hamer en beitel ging hij het Belgische hardsteen  te lijf en het resultaat mag er zijn. Woudwijk heeft zich bij het beeld laten inspireren door Master de Vries, de ‘heit’ van de “Bintsje’ aardappelplanten. Zo staat het in het Fries op de sokkel. Hij heeft echter wel 125 aardappelvarianten op zijn naam staan, maar het Bintje is verreweg het bekendst geworden. Grappig is dat hij de aardappel Bintje genoemd heeft naar één van zijn leerlingen Bintje Jansma. Op de sokkel van het kunstwerk staat (bijna letterlijk vertaald) ‘De planten zijn verwerkt in de oppervlakten van het kunstwerk. Het kleinste stukje steen symboliseert het ‘Bintsje (Fries)’, dat door kruisbestuiving ontstaan is. Verder verwijst de vorm van het kunstwerk en ook de vorm van de sokkel naar Zuid-Amerika, het continent waar de aardappel oorspronkelijk wegkomt. Zo zijn indianengezichten en een geabstraheerde vorm van de zon erin terug te vinden.’ Kortom Woudwijk heeft zich er behoorlijk in verdiept.
Maar dat het Bintje internationale bekendheid heeft gekregen, mag blijken uit het in 2006 opgerichte standbeeld in het Franse Honschoote. Daar staat Madame Bintje, 3,80 meter hoog. Zij is gemaakt vanwege het 100jarig bestaan van het Bintje en wordt bij processies rondgedragen ( ze weegt dan ook maar 60 kilo.) 

Wat ook opvalt bij het beeld is  dat er een bepaalde geur hangt en die blijkt afkomstig van de Sonac-fabriek waar men slachtafval verwerkt. Vroeger heette het hier Rendac en daarvoor de NTF. Maar men kende de fabriek toen vooral als de ‘Stjonkfabryk’. Toen werden er vooral kadavers verwerkt, maar als ik internet mag geloven gebeurt dat nu niet meer.        

Vanaf de rotonde  is het maar goed twee kilometer naar De Pleats in Burgum, het eindpunt van het Noardelike Fryske Wâldenpaad’. Nadat ik over de brug ( Burgumerdaam) over het Prinses Margriet Kanaal kom, loop ik Burgum binnen over de ‘H.W.K. Ridder Huysen Van Kattendijkeweg’. Ik heb medelijden met de mensen die hieraan wonen. Je zult dat maar elke keer als adres op moeten schrijven.
Bij de rotonde in deze weg sla ik rechtsaf en loop langs het Gemeentehûs van Burgum met daarbij het borstbeeld van dominee A. S. Talma. Op de sokkel staat verder: Kamerlid van dit district  1901 – 1908. Minister (en) Grondlegger van de sociale wetgeving 1908 – 1915. Om eerlijk te zijn had ik nog nooit van Talma gehoord, laat staan dat hij de grondlegger was van de sociale wetgeving. Talma zal hoogstwaarschijnlijk daarbij zijn beïnvloed door de armoede van de streek.
 Na het passeren van het gemeenthûs loop ik door de Lage Weg en de Schoolstraat naar De Pleats, waar ik zeven etappes geleden ben gestart. Omdat ik bij de eerste etappe al het een en ander over Burgum verteld heb, zal ik dat nu niet weer doen. Maar het is gemakkelijk te vinden op mijn website: www.metkarstopstap.nl. Daarop is alles nog even rustig na te lezen.
Saak blijkt ondertussen achter De Pleats een parkeerplekje te hebben gevonden. Daar stap ik in ons busje en rijden daarna, een beetje tegen onze gewoonte in, direct naar huis. Meestal drinken we na zo’n laatste etappe wat in de plaats waar ik geëindigd ben, Maar Saak is wat sacherijnig, omdat ze haar in Burgum door al dat éénrichtingsverkeer wel 3 kilometer hebben laten omrijden en wil wel naar huis. Dus hebben we er thuis nog maar eentje op genomen.  

Conclusie: Het Noardelik Fryske Wâldenpaad is beslist de moeite waard. Er zitten echt prachtige stukken in en het geeft je een heel goed beeld van het coulisselandschap dat hier nog redelijk ongeschonden te vinden is. En hoewel ik het vreemd blijf vinden dat het gebied hier De Wâlden heet (er is nauwelijks bos te vinden), raad ik iedereen aan om eens kennis te maken met dit prachtige stukje Fryslân, waarover relatief weinig bekend is. In ieder geval is mijn kennis van Noordoost Fryslân behoorlijk vergroot en het heeft mij weer geleerd, dat we echt niet de wereld uit hoeven om prachtige landschappen en dorpjes te zien. Ik wil eindigen met een vriendelijke variant van de uitspraak van de Romeinse senator Cato Maior: Die zei na elke vergadering: Ceterum censeo Carthaginem esse delendam (‘Overigens ben ik van mening dat Carthago vernietigd moet worden’) Dat is uiteindelijk gebeurd. Ik hoop oprecht dat mijn al vaker geuite wens bij een nieuwe versie van het pad vervuld wordt: “Overigens ben ik van mening dat er bij dit wandelpad wel wat meer aandacht besteed mag worden aan de cultuurhistorie van de verschillende dorpen.’ En omdat daar ook in de Stellingwerven het nodige aan mankeert, ga ik daar de komende tijd mee aan de gang, te beginnen met Ooststellingwerf. Een naam is er al: De Dertien Dorpenwandeltocht ( Een Dertien Dorpentocht op de fiets heb je al in Noord-Holland) en met als ondertitel ‘De cultuurhistorie van de dorpen in Ooststellingwerf’. Wordt vervolgd.   

Back to Top