4e etappe van het Noardlike Fryske Wâldenpaad
Van de Keningswei bij Feankleaster naar Surhuzum 27 km
29 – 3 – 2025
Saak en ik zijn nog maar net gestart op de driesprong Keningswei – Fogelsangh Loane bij Feankleaster of we passeren al een prachtige boerderij. We raken even in gesprek met de boerin die ons vertelt dat de boerderij van rond 1880 Is. Als we zeggen dat we de uitbouw (zie foto) zo mooi vinden, bedankt ze ons.
We zijn allebei nog nooit in Feankleaster geweest, maar we kijken op de Keningswei onze ogen uit: we passeren daar echt prachtige huizen en gebouwen. Ik zet lang niet alles op de foto, want dan kan ik wel aan de gang blijven. In ieder geval komen we ook langs Fogelsangh State. Deze state staat op of vlakbij de plaats waar vanaf de 12e eeuw het Praemonstratenser klooster Mons Oliveti ( van de Norbertijnen) heeft gestaan. In 1580, ten tijde van de reformatie, werd het klooster, zoals alle kerkelijke bezittingen, geconfisqueerd en werd het eigendom van de Staten van Friesland. Het klooster werd daarna afgebroken en het terrein in 1639 verkocht aan Theodorus van Fogelsangh. De huidige state werd hier omstreeks 1650 gebouwd door Dirck Fogelsangh. Heden ten dage is het eigendom van Kyra Livia baronesse van Harinxma thoe Slooten en haar echtgenoot, de graaf De Marchant et d’Ansembourg. In het pand zitten o.a. een galeriehouder en een lijstenmaker.
Niet veel later komen we bij de Brink in Feankleaster langs It Lytse Slot (het kleine slot). Het ‘huis’ werd in 1870 gebouwd in opdracht van Hector Livius Baron van Heemstra voor zijn moeder Anna Adriana van Halteren. Hijzelf bewoonde toen Fogelsangh State. Oorspronkelijk heette het slot Eiken Hiem en na een grondige verbouwing in 1930 Villa Nova, maar voor de inwoners van Feankleaster bleef het altijd It Lytse Slot..
Na de Brink lopen we al snel het dorp uit en komen daarna in de buurtschap Hanenburch. Het enige wat ik over dit gehucht kon vinden was dat men hier in 2011 witte plaatsnaamborden heeft gekregen. Dat is niet echt spectaculair.
Na de Cecilaloane en de Boskloane nem ik afscheid van Saak. Zij slaat linksaf bij het Poelepaad dat langs de Swadde loopt. Dit is een sloot op de grens van de gemeenten Noardeast-Fryslân en Achtkarspelen. Ik ga rechtsaf.
Ik maak een ommetje door de buurtschap Hanenburch dat bij Kollumerzwaag hoort. Het is duidelijk dat de aanleg van het spoor dit ommetje heeft veroorzaakt. Vroeger kon je direct na het Poelepaad linksaf, maar nu moet je echt even omlopen voor je op de Sânbultsterwei onder het spoor door kunt. En het valt op dat de muren van de onderdoorgang nog maagdelijk wit zijn. Geen enkele vorm van graffiti is er te zien en dat is een compliment waard. Helaas zie ik na de onderdoorgang dat er wel een bord met daarop een fietskaart is vernield. Maar dat zal ik de Hanenburchianen niet aanrekenen.
Ik kom uit op De Wedze (tevens de naam van de buurtschap) en verlaat deze al weer na 600 meter. Lopend over een graspad ( het wordt aangeduid als een laarzenpad) kom ik langs Bootsma’s Poel, een oude pingoruïne. Het mag duidelijk zijn dat de naam Bootsma hier aan gegeven is, omdat die vlakbij deze dobbe/poel woonde. Lopend door een bosje en landerijen krijg ik te maken met een paar klaphekjes en loop ik een poosje langs een ‘dykswal’. (een polderdijkje) Wat hier opvalt zijn de keurig onderhouden heggetjes rond en langs de percelen. En wat nog meer opvalt is een wc-bril met daarnaast een heuse wc-borstel. Binnenin staat geschreven: In de natuur is het toilet altijd buiten gebruik. Natuurlijk moet je niet overal staan te poepen en te plassen, maar als de nood hoog is, maak ik wel dankbaar gebruik van enig struikgewas.
Na het oversteken van de Tsjerkebuorren kom ik op het Simkepaad. Dit pad is vernoemd naar Simke Kloosterman, een schrijfster die in 1876 in Twizel werd geboren. Ze kreeg een deftige opvoeding en werd door de mensen in Twizel de freule genoemd. Ze is nog een poosje verloofd geweest met de bekende Friese schrijver Douwe Kalma.
De standsverschillen waren destijds groot in de Friese wouden, een thema dat ook terugkeert in haar roman De Hoara’s fan Hastings. De roman beschrijft de wederwaardigheden van een rijke boerenfamilie tegen de achtergrond van de armoedige omstandigheden van de heidebewoners.
Het Simkepaad is niet meer dan een graspad en wordt niet intensief gebruikt, want van een wandelspoor is geen sprake. Vlak voor de Sânsleat krijg ik te maken met werkzaamheden aan het elektriciteitsnet. Rond de werkzaamheden heeft men met plastic doeken gespannen. Ik kan niet anders concluderen dan dat dat met een paddentrek of iets dergelijks te maken moet hebben. Maar wie het weet mag het zeggen.
Na een overstap loop ik langs de Sânsleat en kom daarbij door het natuurgebied de Twizelermieden. Daar wordt als volgt reclame voor gemaakt: ‘Rondom het Friese Twijzel ligt het grootste coulisselandschap van West-Europa. In het voorjaar wemelt het er van de zangvogels. In de aangrenzende mieden voeren de weidevogels de boventoon’. Mieden zijn laag gelegen graslanden die meestal als hooilanden gebruikt worden.
Na alweer een hekje kom ik over de Miedwei. Het duurt daarna niet lang of ik moet rechtsaf over een pad met de bjjzondere naam: De Njoggen Âlde Mantsjes ( De Negen Oude Mannetjes). Aan het pad stond namelijk een rijtje van negen geknotte bomen (wilgen en populieren). Het betonpad gaat over in een betonweg, die Optwizel heet. Ik ben dan al in het dorp Twizel, waarover ik het volgende op Wikipedia vond: ‘Het dorp bestond lang uit drie kleine kernen die in een lint waren gelegen, deze worden Twijzelerburen, Wedzeburen en Kerkeburen genoemd. Op het eind van de 19e eeuw en in de twintigste eeuw groeiden de drie kernen aan elkaar vast. Op de heide van Twijzel ontstond eind 18e en begin 19e eeuw bewoning en dat groeide uit tot het dorp Twizelerheide een paar kilometer verderop. In ieder geval is van de armoede van vroeger niets meer te merken.
Eenmaal bij de drukke rotonde buiten het dorp, loop ik even langs de N355 (Rykswei), Daarna moet ik al snel weer linksaf bij de Opperkoatsterwei en kom daarna door het gehucht Opperkoaten. De plaatsnaam verwijst naar het feit dat de buurtschap boven Kooten (nu onderdeel van Kootstertille) is ontstaan. Al in de 18e eeuw is er sprake van deze benaming.
Op de Harstwei In de buurt van Opperkoaten staat een bord dat verwijst naar een Poepekrús, een gedenksteen voor een vermoorde Duitse hannekemaaier. Ik loop er niet langs, maar heb het volgende even opgezocht: Volgens het opschrift op de steen zou die moord in 1580 zijn gebeurd, al houdt de RCE (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) het op een waarschijnlijk 18e eeuwse doodslag. De steen is in 1973 aangewezen als rijksmonument.
Omdat ik net het Hannekemaaierpad heb gelopen, kwam ik al eerder Poepekrúsen tegen. Die stonden ook bij of vlakbij de plaats waar een Duitse gastarbeider (een Poep) was vermoord. Dat gebeurde altijd als ze na hun werkzaamheden met hun loon richting Duitsland trokken. Niet voor niets verzamelden de Poepen zich bij de Poepedobbe op It Mandefjild bij Bakkeveen om daarna gezamenlijk verder te reizen. Dat was voor hen een stuk veiliger.
Op de Opperkoatsterwei kom ook ik langs twee wapenstenen. De ene is van de gemeente Tytsjerksteradiel (opvallend genoeg zonder hoofdletter geschreven) en het andere met een tarwe-aar en een schapenkop. Dat blijkt het wapen van het dorp Jistrum te zijn. De tarweaar staat symbool voor het agrarische karakter van het dorp en jistrum (Eestrum in het Nederlands) zou ‘schapenhok’ betekenen. In ieder geval staat het dorpswapen er scheefgezakt bij en is zo geen reclame voor het dorp.
Daarna maak ik via de Heideweg en de Achterweg een omtrekkende beweging om de es die bij het Jistrum hoort. Die es ligt duidelijk hoger (is op een foto te zien) . Ik vind het mooi dat deze paden niet zijn verhard, maar nog ‘ouderwetse’ zandpaden zijn. Ze liggen er overigens voortreffelijk bij. Lopend over de Achterweg, kom ik over het erf van een boerderij. Zo nu en dan kom je dat eens tegen. Het zijn waarschijnlijk al wat oudere wegen waar de boerderij tegenaan gebouwd is. Na het erf kruis ik de Ieswei (ies is het Friese woord voor es) en loop verder over de Achterweg. Daar zie ik plotseling een vrouw vlak achter mij lopen met ogenschijnlijk een boekje in haar hand. Ik vraag of zij ook het Wâldenpad loopt. “Nee, ik woon hier,” zegt ze en we raken even in gesprek. Nadat we een paar honderd meter gezamenlijk opgelopen hebben, slaat zij linksaf naar haar woning en loop ik met de bocht mee naar rechts. Een aardige vrouw die ik mijn kaartje mocht geven waarop mijn wandelsite vermeld staat. “Ik zal er zeker even op kijken, ” belooft ze me en dat is toch aardig.
Na de Achterweg kom ik in het dorp Jistrum, dat naast de afbeeldingen op het dorpswapen ook in verband gebracht wordt met ‘es‘ (ies) en heem. Voor alle duidelijkheid, het woordje heem werd vaak uitgesproken als em en later verbasterd tot um. Dat is niet alleen in Friesland zo, maar ook in Groningen, Oost-Friesland (in Duitsland) en in het Gooi.
Het esdorp Jistrum is van begin 13e eeuw. Toen verrees namelijk een dorpskerk (later de hervormde kerk) bij het akkercomplex de Geesten. Later breidde het dorp zich uit naar het westen, waardoor nij enkele kampontginningen (een vaak omheind gebied) het akkercomplex de Ies ontstond.
Het dorp telde vroeger drie escomplexen aan weerszijden van de huidige Ieswei: de Ies, het Kortland (It Koartlân) en de Geesten (Gjisten). In de 17e eeuw was dit aantal met de Oegekamp en de Oostelijke Velden uitgegroeid tot vijf. Aan de randen van deze akkerlandcomplexen werden de boerderijen gebouwd op hornlegers (erven) en ontstond het huidige dorp.
Het aardige is dat de straatnamen je ook wat over de omgeving vertellen. Zo kom ik over de Marwei (Meerweg), de Schoolstraat, De Meren en de Tillewei. (Een tille is een kleine hoge brug.) Dan ben ik al voorbij de kerk, die op de hoek Schoolstraat – De Meeren staat. Daarom eerst nog enige informatie over de kerk: De kerk is gebouwd in de romaanse stijl met gotische vensters en romanogotische meloengewelven. Daar had ik nog nooit van gehoord en dus toch even opgezocht: een meloengewelf is een achtdelig kruisgewelf. Door zijn acht bolvormige elementen lijkt het gewelf schematisch op een halve meloen. Opvallend zijn de nog aanwezige hagioscopen in het schip van de kerk. Deze kleine vensters worden ook wel leprozenruitjes genoemd. Lepralijders konden zo van buitenaf in de kerk kijken en de preek volgen. Ook bijvoorbeeld voormalige veroordeelden, die niet in de kerk mochten komen, konden daar gebruik van maken.
Na de Tillewei en de Miedwei bereik ik Koatstertille, maar daar kom ik maar gedeeltelijk door. Via de Tillebuorren kom ik bij het Kolonelsdiep (een onderdeel van het Prinses Margrietkanaal). Citaat: Het Caspar de Robles- of Kolonelsdiep is een deel van het Prinses Margrietkanaal en loopt van Burgum tot aan de Groningse grens bij Stroobos. In de 16e eeuw is het kanaal verdiept en verwijd op last van de Spaanse kolonel Caspar de Robles. Deze was van 1572 tot 1576 stadhouder van Friesland. Ook de dijkversterkingen bij Harlingen heeft hij laten verrichten. Het bekende beeld De Stiennen Man (een replica van een grenspaal die daar in 1576 op de dijk werd geplaatst op de dijk) is een eerbetoon aan Caspar de Robles.
Eenmaal bij de brug, is het een behoorlijke klim voor ik bij de weg kom die over de imposante brug loopt: De brug ligt namelijk 6,6 meter boven het wateroppervlak en heeft een totale lengte van 99 meter. Als ik over de brug ben, mag ik weer beginnen aan de afdaling, want ik loop daarna wel een kilometer parallel aan het Kolonelsdiep. Ik maak hier echt weer een ommetje.
Ik loop daarbij langs en door het natuurgebied de Hamstermieden en passeer (volgens mijn boekje) het speelbos de Hossebos. Dit is een door Staatsbosbeheer aangelegd natuur- en educatieveld voor kinderen. Een leuk initiatief, maar om eerlijk te zijn heb ik er niks van gezien.
Nadat ik dwars door de Hamstermieden ben gelopen, kom ik uit op de Jan Gerkeswei en loop terug naar de weg, die ook hier de Tillewei heet. Eenmaal op die weg duurt het niet lang of ik loop Droegeham binnen. .
De plaatsnaam Droegeham is samengesteld uit de woorden droog en ham en betekent dus: ‘zonder water’ respectievelijk ‘aangeslibd land gelegen in een bocht van een waterloop’. Duidelijk. De plaats is in wijde omgeving bekend door haar jaarlijkse evenement De Gondelvaart Op Wielen. Duizenden bezoekers komen daar in de maand september op af. ( Had er nog nooit van gehoord.)
Wat verder opvalt aan het dorp is dat het maar liefst vier kerken heeft. Ik kom langs drie, waarvan de Walburgatsjerke de oudste rechten heeft. Deze kerk stond hier al in het begin van de 13e eeuw. Begin 14e eeuw werd de romaanse kerk al verbouwd en kreeg het een romano-gotisch karakter. De ramen werden daardoor aanzienlijk vergroot. In 1876 was de kerk zo bouwvallig dat hij werd afgebroken. Dat mocht alleen op voorwaarde dat hij weer in de oorspronkelijke stijl (de Romaanse Bouwstijl) terug gebracht werd. Gevolg was dat er weer veel kleinere ramen in kwamen, waardoor de bewoners begonnen te klagen. In de kerk werd het daardoor een stuk donkerder. Maar de klagers kregen niet hun zin.
Na Droegeham kom ik bij Buwekleaster (Bouwe Kleaster staat er op een hek.). Hier stond vroeger een klooster dat in 1245 werd gesticht door Biuw (of Bouwe) Harkema, een edelman uit Augustinusga. Zijn broer Gerke had al een monnikenklooster gesticht (het dorp Gerkeskleaster is naar hem vernoemd). Goed voorbeeld doet goed volgen en dus besloot Bouwe een nonnenklooster te stichten onder bescherming van het klooster Mariëngaarde te Hallum, dat als moederklooster optrad. In 1580 werden door de reformatie de kloosters opgeheven en afgebroken. Het hekwerk en de ernaast gelegen boerderij ‘Klooster Plaats’ herinneren nog aan het klooster.
Na Buwekleaster loop ik langs It Kleasterbreed naar de afslag Krúswei. Op die weg zie ik links van mij een poel, die de naam Bouwespoel heet, ongetwijfeld een verwijzing naar Bouwe Harkema. Het is een mooi rustig weggetje en ik bereik dan ook na een kleine twee kilometer het gehucht Reaskuorre. De buurtschap is ontstaan bij de aanleg van de Surhuisterveenstervaart in 1649. Er werd een schutsluis geplaatst zodat de turfvaarders het Kolonelsdiep konden bereiken. Hoewel de verveningscompagnie hier al in 1847 werd opgeheven, werd de sluis toch in 1881 vervangen door een nieuwe sluis. Maar ook die is niet meer in gebruik. Het is nu een stuw geworden, waar het verval duidelijk zichtbaar is. Kortom, bootjes, laat staan schepen, kunnen er niet meer langs. Nadat ik de Surhuisterveenstervaart ben overgestoken, kom ik op een meer dan twee kilometer lang fietspad terecht, dat bijna straalrecht door het landschap richting Surhuzum loopt. Het weer is prachtig en er zijn weinig fietsers, zodat ik een 25 minuten later vrolijk fluitend Surhuzum in loop, waar Saak voor de opvallende Antoniuskerk al op mij staat te wachten. Volgende keer vertel ik wel wat meer over deze bijzondere kerk en over het dorp Surhuzum. Maar nu eerst naar huis.




































































