6e etappe van het Noardelike Fryske Wâldenpaad: Van It Heechsân naar Earnewâld 25 km
10 – 4 – 2025
Voordat we deze dag van start gaan bij de Groene toren in It Heechsân, rijden we nog even langs 2B-daken in Surhuisterveen. De meeste mensen deugen schreef Rutger Bregman al, maar sommigen zijn ook nog ontzettend aardig. Ik hoef maar twee platen voor een afdakje, maar de man van 2B-daken slooft zich uit om de juiste platen voor ons te vinden. Er komt zelfs een shovel aan te pas voor we de door ons van tevoren uitgekozen dakplaten hebben. Als ik zeg dat ik er ook nog wat schroefjes bij moet hebben, doet de man een graai in een doosje. Ik moet beide handen ophouden, zoveel geeft hij mij. Het deed mij even denken aan kruidenier Schipper in mijn dorp Oldeberkoop toen ik daar als 10 jarig jongetje om boodschappen kwam en ik altijd na een graai van Schipper in de snoepjesbak met beide handjes de snoepjes opving. De man in Surhuisterveen was al net zo gul. De kosten van de platen rondt hij af naar beneden en de schroefjes krijg ik er gratis bij. Waar maak je dat nog mee.
Met de platen in ons busje komen we even later in It Heechsân en parkeren bij de Groene Toren. De toren is al in de 13e eeuw gebouwd, maar het kerkgebouw dat er tegen aan stond, is in 1868 afgebroken. Een triest volksverhaal dat speelt op het kerkhof gaat (kort samengevat) als volgt. Ene Sipke had zijn oog laten vallen op de boerendochter Lysbethe, maar die vond Sipke te min. Sipke kwijnde weg van verdriet en werd op het kerkhof begraven. Toen het op oudjaarsavond koud en stormig weer was, spotte de vader van Lysbeth dat zij niet naar buiten durfde omdat Sipke misschien wel in de wind om het huis spookte. Lysbeth liet zich niet kennen en ging midden in de nacht naar het kerkhof om daar een bezemstok in het graf van Sipke te steken. Het bewijs dat zij er geweest was. Maar toen ze de steel in het graf had gestoken en weg wilde lopen hield een onzichtbare hand haar tegen. Sipke hield haar vast. De volgende ochtend werd ze op het kerkhof gek van angst gevonden. Ze had de bezemstok door haar rokken gestoken, waardoor ze zichzelf aan het graf had vast genageld. Lysbeth werd nooit meer de oude en stierf kort daarna. (Opmerking Karst: Snik snotterke ach wee.)
Voor we vertrekken, maak ik nog even een foto van het hek voor het kerkhof. Die zit vol symboliek: de schedel met gekruiste beenderen staat voor de kortstondigheid van het leven. De gekruiste zeisen zijn het teken van de dood en de grote maaier die oogst bij het levenseinde. De in zijn eigen staart bijtende slang staat voor de cyclische aard van de natuur en de gevleugelde zandloper verbeeldt de vervliegende tijd en het onvermijdelijk naderende stervensuur.
We verlaten na een laatste blik op de toren en het kerkhof It Heechsân en slaan al vrij snel rechtsaf op de Torenstraat. Maar voor we dat doen maak ik nog een foto van de Nieuwe Kerk. Die is van 1868 en dat jaartal komt me bekend voor. De bouwstijl is eclectisch en dat wil zeggen dat er meerdere bouwstijlen door elkaar zijn gebruikt. Snap niet waarom ze de kerk daar gebouwd hebben, want hij staat nu zowel buiten It Heechsân als Eastermar.
We komen op een klinkerweggetje terecht dat over gaat in een zandweg en daar de Middelwei heet. Via de Achterweg komen we na 2 kilometer al bij Eastermar. (Hemelsbreed ligt het maar één kilometer van It Heechsân).
Wel komen we langs de jachthaven en maken na een bruggetje bijna een rondje om de prachtige ovale ijsbaan. We gaan over het derde bruggetje en komen na een nauw steegje uit op It Wâltsje. Aan het eind van It Wâltsje zien we op het pleintje een beeld van kunstenaar Aizo Betten met de naam ‘Broekophâlder’. Het is een geuzennaam voor de inwoners van Eastermar. Over het ontstaan van die naam bestaan verschillende versies. De eerste is dat ze de broek op moeten houden omdat ze zo mager zijn door de armoede. Een tweede verklaring is waarschijnlijk juister: Als de skûtsjes vroeger de haven van Eastermar binnen liepen, lieten ze het grootzeil wat zakken. Het zeil zat dan ‘in de broek’. ( Zo heb ik dat begrepen.)
In ieder geval staat het beeldje er prachtig met daarbij een heel aardig zitje met stoelen die de bijnaam gekregen hebben van enkele inwoners: O.a. Anders Mûtske, Jelle Hûntsje, Sibe Snel en Henk Mus. Dat die namen bewaard gebleven zijn hebben ze te danken aan Dam Jaarsma, die als hulpprediker en godsdienstleraar op zijn fiets de dorpen bezocht en duizenden volksverhalen heeft vastgelegd. In ieder geval komt het zitje en het beeld mij bekend voor en na wat denkwerk kom ik tot de conclusie dat ik hier bij mijn wandeling van het Friese Woudenpad langs gekomen ben. Dat bleek achteraf te kloppen. Aardig nog om te vertellen is dat op deze plaats vroeger een draai voor de skûtsjes lag. Daar konden ze dus keren.
Na ons bezoekje aan de ‘Broekophâlder’ neem ik afscheid van Saak en loop ik verder over de E.M. Beimastrjitte. Even later passeer ik de brug die over De Lits ligt en direct daarna moet ik al linksaf. Ik loop dan op het Kroesepaad langs De Lits en daarna langs de westkant van het meer De Leijen. Mijn gezelschap bestaat uit riet, water en vogels (vooral ganzen) en dat is geen wonder, want ik loop langs en door het natuurgebied De Putten. Dit is een oude polder die teruggegeven is aan de natuur. Ik kom geen mens tegen en beklim nog even het Oostermeer Mienkerwei De Leijen Gemaal, dat hier midden in het gebied ligt. Het zit er bovenop prachtig en ik geniet van het uitzicht en mijn meegebrachte koffie. Maar blijkbaar geniet ik er iets te veel, want ik vergeet prompt om een foto vanaf het gemaal te maken.
Na nog een bruggetje en een fietspad kom ik op de weg Doktersheide. Ik passeer een mini haventje voor ik in het dorp De Tike kom. De plaats is grotendeels ontstaan, doordat veenarbeiders die betrokken waren bij de vervening van de Leijen en het Teeckeveen, in plaggenhutten gingen wonen op de hogere heidegebieden.
Na de Tike ga ik over de Leijensreed en het Sietse Stokje Paad weer richting De Leijen. Ik passeer daarbij een uniek bankje: het ‘wolkenkrabberbankje’ met twee zittingen boven elkaar (zie foto) Na nog een kilometertje langs De Leijen , laat ik het meer achter me en loop langs het Peinder Kanaal maar De Pein (Opeinde). Maar voor ik daar ben, kom ik nog onder de Wâldwei door. Deze weg, die tussen 1966 en 1980 werd aangelegd, is een belangrijke schakel gebleken voor de ontsluiting van Noordoost Friesland.
Ik loop verder langs het Peinder Kanaal, dat hier het Juffersgat heet, maar ook wel het Nieuwe Kanaal genoemd wordt. Eenmaal in De Pein, steek ik het ‘gat’ over en loop aan de andere kant verder. Van De Pein zelf zie ik niet zoveel en van de kerk elemaal niks. Die bevindt zich ook buiten het dorp aan de oostkant, is in 1908 gebouwd en heet De Kandelaar. Daar laat ik het maar bij.
Ik passeer een duidelijk op het water gerichte nieuwbouwwijk met een paar heechhouten (hoge bruggetjes, waar je gemakkelijk onderdoor kunt varen) en kom daarna al snel op de Hege Wei. De naam van de weg zegt al genoeg en dat is ook duidelijk te zien. De weg en de woningen langs deze weg liggen soms wat hoger dan de omgeving. Na een paar honderd meter over deze weg, sla ik linksaf een schelpenpad in en loop naar De Legauke.
Al in de 19e eeuw wordt deze streeknaam teruggevonden op historische kaarten, zoals op de Eekhoff-kaart uit 1848. Ik kom langs het Legaukebosk en loop even op de weg De Hoarnen en duik daarna de landerijen in over de weg It Heech. Bij een viersprong ( ik weet niet of je dat mag zeggen als één van de paden een fietspad is) sla ik linksaf al wordt de toegang op dat moment gebarricadeerd door een vrachtauto en loop verder over het fietspad met de naam Eibertsgeasten. Dit is een buurtschap die voor het eerst in 1664 wordt vermeld als Egberts Gaesten. Een garst of gast is afgeleid van het Oudfriese gāst, in het Nederlands geest, waarmee hoger gelegen en relatief onvruchtbare zandgronden in een nattere omgeving werden aangeduid. Maar een eiber is ook een ooievaar en het kan geen toeval zijn dat ik op een stuk land wel acht ooievaars tel.
Via De Skieppekampen ( een skiep is een schaap) loop ik langs het Smeliester Sân, een klein meertje, maar daar zie ik bijna niks van, omdat er nog een strook weiland tussen zit. Maar het loopt er mooi en het is er heerlijk rustig.
En dan kom ik na een dikke kilometer bij een gemaaltje en een bruggetje op een graspad terecht met de naam Dichterspaad. Die naam heeft het niet voor niets gekregen, want er staan maar liefst 17 panelen met gedichten langs het pad en last but not least ook nog een aantal zitbankjes. Wat een weelde. Een van de gedichten gaat over de opkomende zon. Een gedicht van Carla van der Zwaag die prachtig de gevolgen van een opkomende zon beschrijft, wil ik jullie niet onthouden. Het is weliswaar in het Fries, maar te mooi om te vertalen. Maar met een beetje goede wil is het gedicht ook zonder kennis van de Friese taal wel te begrijpen.
Oranje luorket sy oer de râne
as se stadich út it bêd fan de nacht krûpt
rekt har út mei stjerreitsjende strielen
waaiert in kleuretekken oer dampige greiden
kibbet mei wolken yn it swurk
tutet waarm de kij, de boer
set de hoanne oan ta kraaien
is ree om ûnderweis te gean
My struit se goudsplinters yn it hert.
En dan kom ik in Aldegea, waar Saakje haar overgrootvader ooit nog eens directeur van de Boterfabriek geweest is.
Maar eerst wat over de geschiedenis van Aldegea: Het dorp is in de middeleeuwen ontstaan op een zandrug te midden van plassen en veengebieden. Via het land was het minder goed bereikbaar, maar daarin kwam vanaf de 15e eeuw langzaam verandering. De naam is ter onderscheiding van het noordelijker gelegen Nyegea.
Aldegea werd in de zestiende eeuw de hoofdplaats van de gemeente Smallingerland en de grietman (burgemeester zouden we nu zeggen) woonde oorspronkelijk op Great Haersma State. Het dorp kreeg in 1664 ook een rechthuis dat bewaard is gebleven en later een rijksmonument is geworden. In de negentiende eeuw vertrok het gemeentebestuur uit Aldegea, eerst naar De Pein en uiteindelijk naar Drachten. In de 20ste eeuw is het dorp flink gegroeid.
De romaanse dorpskerk stamt uit de twaalfde eeuw. Voor zover bekend heeft de Sint Agathakerk de oudste klok van Nederland. Het tufstenen gebouw is vernoemd naar Agatha, een beeldschone jonge christenvrouw uit Catania op Sicilië. Omdat ze weigerde de minnares te worden van een landvoogd liet hij haar vreselijk martelen. Zo meende hij haar te kunnen dwingen om haar geloof te verzaken. Dat heeft ze niet gedaan, waardoor ze echt de vreselijkste kwellingen heeft moeten doorstaan, voor ze dood was. Ik zal jullie de details maar besparen.
In het schip van de kerk zijn de noormannenpoortjes nog goed te zien: Deze zijn gotisch. De zuidkant was de kant van het licht en langs die kant kwamen de mannen binnen. Vanwege de zondeval ( Eva werd door de slang verleid om een vrucht van de ‘boom van de kennis van goed en kwaad’ te eten, terwijl dat door God was verboden.) moesten de vrouwen aan de noordkant de kerk binnen.
In de kerk vind je nog een schandblok en een martelpaal , als herinnering aan het gebruik van de toren als gevangenis. De toren was tevens een verdedigingstoren en heeft muren van wel een meter dik.
Aardig is nog om te vermelden dat in 1672 Münsterse troepen Friesland vanuit Groningen binnenvielen, maar dat de burgers van Aldegea met alles wat ze maar voor handen hadden, o.a. ploegen en bijenkorven, hen hebben weten tegen te houden. Ze verzamelden zich toen voor de Sint Agathakerk.
In ieder geval staat er de komende jaren ( vanaf 2025 tot en met 2028) heel wat te gebeuren in Aldegea. Er wordt namelijk een compleet nieuw meer aangelegd van meer dan drie meter diep en 50 hectare groot. Doel daarvan is het toerisme te vergroten. Het toekomstige meer heeft al een naam: de Nije Aldegeaster Sânning. De grond die er weggegraven wordt bestaat uit drie verschillende lagen: De aardlaag ( de bovendste 30 cm) gaat naar landbouwpercelen in de buurt, de veengrond daaronder gaat naar champignonkwekerijen in Limburg en de onderste laag, het zand, kan gebruikt worden bij woningbouw en dijkaanleg. Kortom er is over nagedacht.
Vlak voor het bord ‘Einde Aldegea’ moet ik linksaf over een graspad. Ik loop dan weer door de landerijen naar de Eksteurreed en vandaar over It West naar de Westersânning.
En ja, daar betrap ik mijn wandelboekje toch op een foutje. Het aangeven pad op een kaartje komt niet overeen met de beschrijving. Dus loop ik niet over de weg Geau naar Earnewâld, mar over een pad (later een graspad) langs De Krúsdobbe Het laatste deel van dit pad loopt echt dwars door de rietvelden naar Earnewâld en geeft een prachtig beeld van de vroegere geïsoleerde ligging van dat dorp waar Saakje haar vader en moeder zijn geboren en ook nu nog familie woont.
Earnewâld werd in 1471 voor het eerst genoemd als Eerndwaud. In de Tegenwoordige Staat van Friesland van 1786 werd het vermeld als ‘het kleinste en afgelegenste dorp der geheele Grieteny. De Kerk van dit dorp heeft een stompen toren, en weinig huizen rondom de kerk, ook in ’t geheel maar 13 stemmende plaatsen. Naar dit dorp loopt geen rydweg; dus kan men derwaards alleen te lande komen, midden in een droogen Zomer over de laage Garypster landen; doch de vaart is zeer gelegen en vermaakelyk, dewyl hier alle schepen uit de Drachten, Aldegea, Smallenee en Beetsterzwaag moeten voorby vaaren, om voorts, over Wartena, naar Leeuwarden te komen.’
Rond Earnewâld lag in de 17e en 18e eeuw een jachtterrein van de Friese stadhouders die in Leeuwarden resideerden. Het kreeg daarom de naam Princenhof. Dat natuurgebied is nu onderdeel van het Nationaal Park De Alde Feanen, ook wel de Oude Venen genoemd. Het is een uniek natuurgebied van internationale betekenis, met onder andere trilveen, laagveenmoeras, veenplassen, petgaten en wuivende rietlanden.
Pas na de Tweede Wereldoorlog zou voor het eerst een weg worden aangelegd naar het afgelegen dorp lezen we op de website: https://earnewald.nl/bezienswaardigheden-historie/. Maar dat kan onmogelijk waar zijn, want in 1930 reed er al een bus van Earnewâld naar Garyp om voor 12 gulden per jaar een kind naar school te brengen en mijn schoonvader had in de oorlog al een vrachtbedrijf in Earnewâld. Ik heb niet kunnen achterhalen wanneer er wel een eerste weg is aangelegd, maar beslist al voor de oorlog. Nu kun je van twee kanten het dorp binnen rijden, maar het N.F. Wâldenpaad laat mij door het recreatiepark It Wiid lopen. Daarna moet ik bij het al vier jaar grote leegstaande centrumgebouw met de pont over. Ik ben de enige en druk op een bel om de pontbaas te waarschuwen dat hij een klant heeft. Het is een aardige man die mij voor welgeteld één gulden ophaalt en naar de overkant brengt. Midden op het water van It Wiid maak ik een foto van het oude sluiswachtershuis. Daar is de pake van Saakje maar liefst 40 jaar sluiswachter geweest en moest hij het gemaal onderhouden. Alles gebeurde toen nog met de hand.
Aan de overkant staat Saak al op mij te wachten en we besluiten om nog even bij onze familie langs te gaan. Daar hebben we nog even gezellig gezeten.






























































