5. Van Surhuzum naar It Heechsân

5. Van Surhuzum naar It Heechsân

5e etappe Van het Noardelike Fryske Wâldenpaad

Van Surhuzum naar It Heechsân 25km

3 – 4 – 2025

Ik start deze morgen in Surhuzum bij de Antoniuskerk. Het dorp is van oorsprong een agrarisch streekdorp, wat goed te zien is aan de boerderijen die aan weerszijden van de hoofdstraat (Doarpstrjitte) staan. De plaatsnaam verwijst waarschijnlijk naar het feit dat het vanuit noordelijk gelegen gebied is ontstaan, en dit de zuidelijke huizen waren.
De vorige keer heb ik beloofd nog wat over de kerk te vertellen. En wat je belooft moet je ook doen dus bij dezen: In 1614 werd met gebruik van stenen van de voorganger, gewijd aan Antonius van Padua, een nieuw schip gebouwd. De kerktoren met steunberen en wimbergen (dat zijn steile driehoeken boven portalen en ramen) dateert uit circa 1300. In 1630 kreeg de toren een nieuwe klok, die zo’n zwaar geluid gaf dat de westelijke galmgaten zijn dichtgemetseld, omdat Leeuwarden anders last van het geluid zou hebben.
Tussen de vrijstaande geheel uit steen opgetrokken toren en het schip bevindt zich een luchtboog. Over hoe deze ruimte is ontstaan, gaat het volgende verhaal rond: ‘Er was eens een reus die als lappenkoopman door Groningen en Friesland reisde. Zijn handel droeg hij in een groot pak op zijn rug. Het pak was ongeveer zo groot als een boerenschuur en behoorlijk zwaar. Nadat de reus een hele dag in Groningen had rondgelopen, ging hij ’s avonds weer op huis aan. Bij Surhuizum hield hij rust en leunde wat tegen de Surhuizumer toren aan. Het pak haalde hij van zijn rug. Nadat hij weer enigszins op krachten gekomen was, wilde de reus zijn reis naar huis vervolgen. Hij wilde het pak weer op zijn rug zetten toen hij een enorm kabaal hoorde. Wat was het geval, de reus had samen met het pak ook de toren opgetild. Onmiddellijk zette hij de toren weer op de grond, maar vanwege zijn grote handen ging dat niet al te secuur. De toren kwam een klein stukje los van de kerk, zonder dat de reus er erg in had. De tussenruimte is later wel opgevuld, maar nog altijd is duidelijk te zien dat de toren niet precies tegen de kerk aan staat.’
Van de toren wordt gezegd dat die vroeger een burgerlijke functie had en niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk los stond van de kerk. De torenklokken werden bijvoorbeeld gebruikt om belangrijke evenementen aan te kondigen of een ramp zoals brand of watersnood. Verder kon het ook dienen als uitkijkpost, vuurtoren of gevangenis.

Nadat ik nog een foto van de toren heb gemaakt, de kerk heb ik de vorige etappe al op de foto gezet, begin ik aan mijn vijfde etappe. Saakje is met ons busje nog even doorgereden en gaat op It Sûd bij Surhuzum staan. Daar loop ik ook naar toe en we drinken daar nog even een kop koffie.

Samen lopen we daarna over de Loenekampen en de Hurde Eker, die (gedeeltelijk) bij het gehucht Ophûs horen. Dat ‘Op’ kan te maken hebben met hoog maar ook met ver. Daar zijn de geleerden het niet over eens. Na Ophûs komen we door het gehucht Koartwâld. Dat werd in de middeleeuwen geteisterd door overstromingen en men kon daardoor het onderhoud van de plaatselijke kerk niet meer opbrengen. Hierop kreeg Koartwâld in 1441 toestemming van paus Eugenius IV om zich bij Surhuzum te voegen.

Na de Hurde Eker komen we noordoostelijk van Surhústerfean bij de rotonde in de N358. Daar steken we over en lopen verder over de Kealewei. Onze gezamenlijke wandeling vandaag is maar van korte duur want al spoedig neem ik afscheid van Saak. Zij slaat op de Kealewei linksaf en loopt over de Fryske Dyk met de nodige slingers en slagen terug naar ons busje. Ik loop verder over de Kealewei.
Voor mij lopen twee mannen een vrouw, die net als ik de Westerdwarsreed inlopen. Ik haal ze in als ze een bordje staan te lezen met daarop Landgoed Opende. “Nooit geweten dat ze hier een landgoed hebben,” hoorde ik de vrouw zeggen. Dat wist ik ook niet en ik raak met hen in gesprek en loop even een poosje met hen op. Ze vertellen me dat dit de tweede keer is dat ze het Noardelike Fryske Wâldenpaad lopen, maar nu net andersom. Hun ervaring is dat je er dan heel anders tegen aan kijkt en dat kan ik alleen maar beamen. Als we bij het dorp Opende zijn, neem ik afscheid van hen. Zij lopen net iets langzamer dan mij en dat loopt niet lekker. Wel geef ik ze nog even mijn kaartje met daarop mijn website www,metkarstopstap.nl. De vrouw belooft me om zeker een keer op mijn site te kijken. Altijd leuk.
Na een dikke kilometer over de weg en een zandpad (beide heten Topweer) kom ik weer bij de N358. Ik steek de weg over en loop verder over het fietspad. Gelukkig duurt dat niet lang en mag ik snel rechtsaf over de Warreboslaan. De route slingert sowieso door noordoost Friesland maar hier wel extreem: Binnen een kilometer maakt het pad wel zesmaal een scherpe bocht. Wat aardig is, is dat ik hierbij over het erf kom van melkveebedrijf S. G. de Vries. Die heeft hun pad open gesteld voor de wandelaar en dat is een complimentje waard.
Daarna kom ik uit op de weg Wildveld, die mij (natuurlijk) slingerend richting Houtigehage brengt.

De naam Houtigehage vertelt veel over de geschiedenis: na de vervening in de achttiende eeuw kregen mensen land om er landbouwgrond van te maken. Het ging om smalle stroken grond (hage), waarop struiken groeiden (houtig). Het weerbarstige land bewerken viel niet mee en er was toen veel armoede in het dorp. Het was dan ook geen wonder dat het dorp in 1909 als eerste dorp negen woningwetwoningen kreeg, de zogenaamde wâldhûskes. Het huisje bevatte een kamer met drie bedsteden en een aardappelopslag daaronder. Er was een grote kast en een inpandige schuur voor wat kleinvee. Verder was er een waterpomp en rond elk huisje lag voldoen grond om daarop eigen voedsel te verbouwen. In één zo’n wâldhûske zit nu een museum.
Eén gebeurtenis in het dorp is te mooi om het niet te vertellen. Na de oorlog was Houtigehage een communistisch bolwerk met een extreem hoge werkeloosheid. Houtigehage heeft toen de omgekeerde staking uitgevonden: een groep werklozen ging uit protest aan het werk. Ze legden zomaar een weg aan, in het dorp, tot verbijstering van de autoriteiten.

Maar zoals zo vaak kom ik niet door het dorp en loopt het Noardelike Fryske Wâldenpaad er omheen.. En hoewel ik het altijd jammer vind dat routes de dorpjes links laten liggen, is het pad om Houtigehage beslist de moeite waard. Ik loop namelijk langs de Blauwe Dobbe, een pingoruïne. Het gebied was hier al heel vroeg bewoond, want er zijn vondsten gedaan uit de Hamburgcultuur, die duiden op een bewoning van het gebied van zo’n 12.000 jaar geleden. Bij de plas staat het clubhuis van de ijsvereniging ‘ Fan Twa Ien’ van de plaatsen Houtigehage en Boelenslan. Het lijkt me een prachtige plaats om te schaatsen, maar daar komt de laatste jaren weinig van terecht.

Nadat ik om Houtigehage ben gelopen, kom ik via de de Dominee Visscherwei, de Bethlehemsreed en de Spekloane in de buurt van Rottefalle. En het zal niet waar zijn, maar na nog één kilometertje loop ik zelfs het dorp binnen door de Rottefal:  een tunneltje onder de N369, dat opgesierd is met werk van de kunstenaar Alie Jongsma. Hier gaat het Wâldenpaad wel dwars door het dorp en daarmee doen ze mij een groot plezier.   

Rottefalle is in de 16e eeuw ontstaan bij een sluis, die door de vorm de bijnaam Rattenval had. In 1622 kwam de naam Rottefalle voor het eerst op de kaart. Tot 1956 liep de rivier de Lits nog dwars door het dorp. In dat jaar werd dat deel van de Lits gedempt en om het dorp gelegd. Aardig om te vermelden is verder dat in 1953 Rottevalle in het kader van de ontwikkeling van streekverbeteringsprogramma’s door de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst (RLVD) uitgeroepen werd tot ‘voorbeelddorp’. Rottefalle fungeerde als expositiedorp om moderne ontwikkelingen in de landbouw zichtbaar te maken. Het dorp wordt daarom genoemd in de Canon van Friesland.

Ik kom in Rottefalle op een bankje op het Masterspleintsje terecht. Blijkbaar is Rottefalle trots op z’n meesters, want het Masterspleintsje staat op de hoek van de Master Dijkstrawei en de Master de Vrieswei. En dan heb je in het dorp ook nog de Master Kuiperswei. Het zit er even heerlijk met rugdekking van de Doarpstsjerke. Deze is van 1724 en gebouwd als een eenvoudige zaalkerk met geveltoren. Op de begraafplaats bevindt zich een klokkenstoel. Zowel kerk als klokkenstoel zijn nu rijksmonumenten. Tegenover de kerk staat een pastorie uit 1888.
Rottefalle blijkt een heel aardig plaatsje te zijn met het mooie straatje de Brouwersgrêft, de prachtige Herberg van Smallingerland en last but not least zelfs met een eigen haventje. Maar als ik daar ben loop ik het dorp al weer uit.

Daarna loop ik maar liefst acht kilometer door landelijk gebied, met een ommetje om het natuurgebied Het Bild, over de zandweg Halfweg, de Seadwei en de Groeneweg. En daarna mag ik nog over het prachtige Spoekeleantsje met daarnaast een sloot met kristalhelder water. “Dat is hjir altied sa,” zegt een man die ik tegen kom. Jow soene sizze jow kin it wol drinke, mar dat dogge we toch mar net.” Ik geloof niet dat ik die Friese zinnetjes hoef te vertalen. In ieder geval kom ik na It Spoekeleantsje op de Lange Geestwei. Met de spoken en Geesten zat het hier blijkbaar wel goed. En ik kan mij voorstellen dat hier heel wat witte wiefen op de velden gezien zijn. (Mistflarden, die soms over de heide dwarrelden werden voor heksen aangezien en kregen zo de bijnaam witte wiefen.)

Als ik na de Lange Geestwei weer in de bewoonde wereld kom, loop ik door de buurtschap It Heechsân. Groot is het niet, maar het dorp Eastermar is wel vanuit It Heechsân ontstaan. Ik citeer: Het dorp Eastermar is ontstaan doordat boeren zich vestigden op de hogere gronden aan de oostkant van het Burgumer Mar. Wanneer de eerste bewoners hier zijn gaan wonen is niet meer na te gaan, maar de eerste stenen kerk is gebouwd rond 1200 op dezelfde plek als waar nu het kerkhof op It Heechsân is. Klokken hingen er in het begin niet in de toren, die kregen een plekje in een klokkenstoel. In de 16e eeuw verschoof de kern van Eastermar naar het zuidwesten tussen de Leijen en het Burgumermeer en zij namen de naam mee.

It Heechsân ligt op het eind van een morene, op zandgrond dat drie meter hoger ligt dan het waterpeil in het Bergumermeer. De buurtschap werd/wordt ook wel Hoogzand-Oostermeer genoemd. In ieder geval heeft het één van de opvallendste torens van Friesland. Van top tot teen is de toren bedekt met (zo te zien) klimop en hij wordt dan ook niet voor niets de groene toren genoemd. Nadat ik nog een foto van de toren gemaakt heb, stap ik in ons busje, dat Saak daar al weer had neergezet. Op naar huis.

Back to Top