8 Van Blauhús naar Boazum

8 Van Blauhús naar Boazum

14 – 3 – 2024

8e etappe:  Van Blauhús naar Boazum 25 km

Blauhús
Hoewel we bij het aquaduct in Uitwellingerga (onder Sneek) even moeten filerijden zijn we mooi op tijd in Blauhús. Het klinkt gek, maar we moeten daar enige moeite doen om een parkeerplek te vinden. In het centrum staat het helemaal vol. Gelukkig vinden we vlakbij nog een aantal lege parkeerplekken bij het verzorgingshuis Teatskehús en daar zetten we de bus om precies kwart voor negen neer.
We hebben de koffie nauwelijks op als iemand haar auto pal naast onze bus zet. Als zij uitstapt en Saak doet dat tegelijkertijd hebben we een probleem. Maar gelukkig heeft de vrouw dat ook in de gaten en wordt het ‘probleem’ opgelost. We raken zelfs met haar in gesprek. Tot onze verbazing komt ze helemaal uit De Lier (schuin onder Delft) naar Blauhús gereden om daar haar bejaarde vader in het Teatskehús te bezoeken. Onderweg heeft ze ook nog haar man in Amsterdam af gezet en ze vertelt ons dat ze al vanaf 6 uur onder weg is. Dat doet ze wel vaker.
Wij vinden het een hele onderneming, maar de vrouw doet er nog al luchtig over. “Die auto rijdt wel,” zegt ze. Toch hebben wij er wel bewondering voor. Voor het Teatskehús nemen we afscheid van haar en lopen, nadat ik nog een paar foto’s heb gemaakt, richting Westhem.
We passeren de Vituskerk van 1871 en we zijn onder de indruk van die machtige driebeukige neogotische kruiskerk die daar met haar hoge toren de omgeving overheerst. Of zoals men zelf zegt: ‘een baken in het Friese landschap, als teken dat God onder ons woont.’  In ieder geval ben ik het met het eerste gedeelte van de omschrijving helemaal eens. Omdat ik de vorige keer al aandacht aan het ontstaan van Blauhús heb besteed, laat ik het hierbij. Als we Blauhús achter ons gelaten hebben, duiken we als het ware de landerijen in, maar dan wel over een brede wat slingerende asfaltweg.

Westhem
Al na anderhalve kilometer bereiken we het dorpje Westhem, een terpdorp dat is ontstaan aan de Westhemmer opvaart. Het dorp werd al in de 13e eeuw genoemd. De plaatsnaam verwijst naar een binnenpolder, of een stuk aangeslibd land, van het Oudfriese woord hem. Het aardige is dat Blauhús vroeger bij Westhem hoorde, maar veel groter werd dan het ‘moederdorp’.
In Westhem neem ik afscheid van Saak. Zij loopt richting Oudega en dan langs het meer De Brekken en Greonterp weer terug naar Blauhüs. Dat is met 9 kilomeer voor haar een behoorlijke afstand.

Feytebuorren
Ik loop ondertussen naar Feytebuorren een buurtschap dat behoort bij Westhem. Het heeft maar een paar huizen en één boerderij, maar wel een prachtige kerk. Het komt me bekend voor en dat is niet verwonderlijk. Want vanaf De Brekken tot aan Sneek loop ik dezelfde route als het Groot-Frieslandpad.
Omdat het zo prominent in het lege landschap staat citeer ik even wat men zelf over dit kerkje op internet heeft gezet: Het op een terp gelegen kerkje is gewijd aan de heilige Bartolomeus en wordt de Bartholomeüskerk genoemd. De kerk heeft een roerige geschiedenis achter de rug. Werden er in de veertiende eeuw nog Katholieke vieringen gehouden, later (na de reformatie) werd de kerk Protestants. Rond 1450 raakte de kerk beschadigd bij twisten tussen de Schieringers en de Vetkopers. Ook zou er een brand hebben gewoed. In 1708 werd het kerkje afgebroken en opnieuw opgebouwd. Alleen de toren (13/14e eeuw) gemaakt van kloostermoppen, bleef bewaard. In die toren hangen klokken van respectievelijk 1353 en 1639. Interessant is de oudste klok. Die heeft namelijk een uitgebreid randschrift dat vertaalt het volgende betekent: Bartolomeus, de met purper beklede, de heilige koning en de onbevlekte moeder van Jezus. Wees gegroet Maria. (Ik snap het niet helemaal, maar dat zal ongetwijfeld aan mijn niet christelijke opvoeding liggen.)Met de komst van de Fransen rond 1795 werden de familiewapens op de aanwezige grafzerken vernietigd onder het motto égalité (gelijkheid). In 1980 werd het kerkje eigendom van de Stichting Alde Fryske Tsjerken. 
Omdat ik de vorige keer het erf van de boerderij op stapte, weet ik nu dat ik het stokoude klaphekje aan het begin van Feytebuorren moet hebben. Het grappige is dat de paal met daarop ‘verboden voor honden’ er net als een dik jaar geleden nog steeds los bij staat. Er is dus blijkbaar niemand die daar op toe ziet.

Na het klaphekje kom ik op een smal betonpad terecht dat mij naar Abbega leidt. Maar al snel blijkt dat ik mij op deze 14e maart wel wat op de hals heb gehaald. Omdat het land wat afgedroogd is hebben de boeren namelijk massaal besloten dat het tijd wordt om met de giertank te gaan rijden. En dat is hier ook gebeurd. Helaas ligt het betonpad wat lager dan het land en is het pad veranderd in een mestgoot. Ik plens door de drijfmest en het duurt dan ook niet lang of ik heb de strondspetters tot aan de knieën zitten. Het is niet anders, al besluit ik wel om na deze constatering maar naast het pad te lopen. (Overigens moest ik dat de vorige keer dat ik er langs liep ook al doen, maar toen stond het pad blank van de regen.
En net als ik denk dat ik van die drijfmest af ben, kom ik op een pad waar schapen lopen, en die hebben zich ook niet onbetuigd gelaten. Gelukkig spetteren schapenkeutels niet, maar ik kan niet zeggen dat het er plezierig loopt. Ik ben dan ook blij als ik bij Abbega de dijk op klim en weer over een normale weg mag. Ik beloon mijzelf na al deze ontberingen dan ook met een kopje koffie en een stevige koek.

Abbega

Ik zit pal bij De Gertrudiskerk van Abbega die als volgt wordt omschreven: ‘In de basis is het een middeleeuwse kerk maar het omhulsel dateert uit 1806. Het was oorspronkelijk een parochiekerk gewijd aan de heilige Gertrudis. Later werd het een protestantse kerk.
In ieder geval betekent dat dat ook het dorp behoorlijk oud is. En dat klopt, want rond 1250 heette het dorp Abbahem, de woonplaats (heem/um) van de persoon Abbe. In 1399 werd de plaats aangeduid als Abbaga en in 1505 in het Fries als Abbegae. (De uitgang ga betekent gebied of dorp.) Het is op een terp ontstaan en was lange tijd alleen via het water te bereiken. Opvallend is dat het dorp met  zo’n 250 inwoners ook nog twee buurtschappen heeft: Abbegaasterketting en Pikesyl.

Als ik na mijn koffiepauze de rugzak weer om doe en even later het dorp uitloop word ik uitgeleide gedaan door een drietal eenden, die erg tam zijn. Niet veel later dentert mij een grote trekker met een giertank tegemoet. Maar omdat ik waarschijnlijk zelf al stink, ruik ik hem nauwelijks.

Hierna loop ik naar de buurtschap Pikesyl. (De syl (zijl) is een ‘uitwateringssluis’ die gelegen is in de dijk van de Scherwolderhem bij het Pikemeer.)
Als ik hier bijna doorheen ben, moet ik linksaf. Als je niet beter weet, heb je het idee dat je zo bij een boer het erf op stapt, maar het blijkt een pad te zijn naar een andere boerderij die maar liefst 900 meter verderop staat. Daar hoef ik niet naar toe, want al na een paar honderd meter moet ik rechtsaf over een uitermate smal pad langs een sloot met aan de rechterkant een stroomdraad. Het soms nauwelijks 50 cm brede pad is met geen mogelijkheid wandelaarvriendelijk te noemen. Maar ik kan er langs, al blijft het uitkijken, omdat het smalle ‘pad’ soms ook nog een beetje schuin afloopt.
En dan kom ik voor een verrassing. De pijlen op een brug suggereren dat ik voor de brug linksaf moet (zie foto). Ik ben hier eerder geweest, maar kan mij niet herinneren of ik nu voor of na de brug linksaf moet. Ik kies voor vóór de brug al blijf ik het donkerbruine vermoeden hebben dat ik niet goed zit. Dat blijkt als ik na een poosje aan de overkant van de sloot een pijl zie. Gelukkig redt een betonplaat over de sloot mij van deze dwaling en zit ik na enige honderden meters onzekerheid weer aan de goede kant. (Thuisgekomen heb ik even opgezocht wat het Groot Frieslandpad over die situatie zegt. Daar staat duidelijk in dat ik na de brug linksaf moet.) Maar in het boekje over het Sint Odulphuspad staan geen aanwijzingen, zodat ik hier toch in de fout ging.
Het pad slingert verder door de landerijen al is er van een echt pad geen sprake. Ik banjer door het gras over een dijkje en later gewoon door een weiland. Rode paaltjes geven aan waar ik langs moet en dat is dus langs de sloten. Het is niet de bedoeling dat je dwars over een weiland loopt, maar omdat het gras nog niet hoog is, houd ik mij daar niet helemaal aan.

Oosthem
In Oosthem kom ik uit bij de Bolswarder Zeilvaart die ook de Wymerts heet. Een beetje lastig, maar ik zal er niet al te veel van zeggen. Bij ons dorp Oldeberkoop hebben we immers de Kuunder die door de Friezen de Tsjonger genoemd wordt. Het komt dus vaker voor. Over een alleraardigst bruggetje loop ik Oosthem in, dat ondanks het geringe inwonertal (rond 450) wel twee jachthavens heeft.
De nederzetting is in de middeleeuwen op een terp ontstaan, en ontwikkelde zich snel tot een dorp. De plaatsnaam verwijst naar een binnenpolder, een oostelijk gelegen stuk aangeslibd land, van het Oudfriese woord ‘hem’; vergelijkbaar met Westhem.
Wat direct opvalt is dat het kleine plaatsje twee kerken had (de beide gebouwen zijn nog aanwezig) en dat heeft alles te maken met de Doleantie. Ik zal daar niet al te diep op in gaan, maar om kort te gaan kreeg je op 30 april 1889 officieel  de “Nederduitsch Gereformeerde Kerk te Oosthem, Abbega en Folsgare”. Kwamen ze eerst bijeen in een schuur in 1897 kregen ze de beschikking over een eigen kerk.
In 2008 werd de kerk een kerkelijk centrum met de naam ’t Anker. 
Naast de oude Gereformeerde kerk, heeft het dorp nog de opvallende neoclassicistische Johanneskerk van 1861. Daarvoor stond er ook al een kerk (uit 1200), maar die werd in 1860 afgebroken.. Voor wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de kerken van Oosthem, op internet kun je uitgebreide informatie vinden. 

Voor de liefhebbers van kerkgeschiedenis (en wat ik niet wist):
Koning Willem I (1815 – 1840) hield zich ook met kerkelijke vraagstukken bezig. Hij liet voor de Nederduitse Gereformeerde Kerk een kerkorde ontwerpen. Op 7 januari 1816 werd het Algemeen Reglement voor het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden bij koninklijk besluit goedgekeurd. Hiermee kwam er een eind aan de Nederduitse Gereformeerde Kerk die tijdens de Tachtigjarige Oorlog de officiële kerk van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was geworden.
Door vele kerkleden werd dit gezien als een ongewenste inmenging van de koning in kerkzaken. Vooral vanuit de Universiteit van Leiden rees hiertegen (liberaal) verzet. Dit leidde in behoudende hoek in 1834 tot de afzetting van Hendrik de Cock, die predikant was in Ulrum. De beweging die hieruit ontstond wordt de Afscheiding genoemd.
Daarna kregen we nog de Doleantie (de klagenden). Dit was een reactie op het vrijzinnige klimaat in de Nederlandse Hervormde Kerk. De orthodoxen wilden een strakkere binding aan de belijdenis. Maar de Doleantie had ook te maken met de wens van plaatselijke gemeenten om autonomer te kunnen zijn, onder meer wat het beheer van kerkelijke goederen betreft. Theoloog, journalist en politicus Abraham Kuyper was een van de leidende figuren tijdens de Doleantie. In 1879 had hij een eigen gereformeerde partij gesticht, de Antirevolutionaire Partij (ARP).

Na mijn tocht langs het Easthimmer mar kom ik in Nijesyl een buurtschap dat vastgegroeid is aan IJlst. Het ligt aan de Wymerts en heeft een jachthaven. Tot 1529 had men hier een overtoom: Een overtoom is een installatie waarbij een schip over land van het ene in het andere water wordt getrokken, met het doel een peilverschil te overwinnen. De overtoom kan worden gezien als een voorloper van de schutsluis Die kreeg men dus in 1529.

IJlst
Hierna loop ik IJlst binnen, dat zelfs een eigen spoorstation heeft. De stad (Drylst in het Fries) is een van de Friese elf steden met (maar) een dikke 3000 inwoners. Tot 2011 was IJlst de hoofdplaats van de voormalige gemeente Wymbritseradeel. Aardig is om te vertellen dat de inwoners van IJlst ‘kypmantsjes’ genoemd worden, naar een koekjessoort die hier vroeger werd gemaakt.
Door de stad loopt de rivier de Geeuw, die in de stad samenvloeit met de rivier de Ee. De Geeuw maakt deel uit van de verbinding Sneekermeer – Sneek – IJlst – Heeg – Heegermeer en is, met name in de zomer, een druk bevaren waterweg. Verder is IJlst bekend om haar aan het water grenzende tuintjes, de “bleken” of “overtuinen” geheten. Deze liggen langs de rivier de Ee die de centrale as van de stad vormt en het karakter heeft van een gracht.
In ieder geval kreeg IJlst al in 1268 stadsrechten en daar mogen ze best trots op zijn. Helaas had IJlst aan het eind van de Middeleeuwen te lijden van de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers (twee kloosterordes, te weten de cisterciënzers en de norbertijnen), die elkaar de hersens insloegen. Maar het dorp heeft zich daarvan kunnen herstellen en had eeuwenlang een bloeiende scheepsbouw: Al rond 1620, valt in geschriften te lezen, dat ‘dese stadt van scheeps-timmer-const niet alleen door Vrieslandt maer andere plaetsen seer beroemt is’. Maar de stad werd ook bekend door de houtbewerking, zoals de wereldberoemde gereedschappen, schaatsen en het houten speelgoed van de firma Nooitgedagt.

Ruim een eeuw lang was de fabriek Nooitgedagt de grootste werkgever van de stad. In 1865 begon Jan-Jarings Nooitgedagt met het maken van schaatsen en schaven. Het bedrijf groeide en het assortiment werd in de loop der tijd uitgebreid met houtbewerkingsgereedschappen en houten speelgoed. De fabriek nam een prominente plek in binnen de stad maar rond 1990 verhuisde de fabriek naar het industrieterrein. Delen van de oude fabriek zijn inmiddels gesloopt. Er staat nog één oud gebouw, het zogenoemde ‘giele stientsjes’-gebouw, de eerste Nooitgedagt-fabriek. Dit gebouw is gerenoveerd. Begin 21e eeuw hield de firma Nooitgedagt op te bestaan. In 2007 werd de oude schoorsteen gerenoveerd, waarbij deze tot de oorspronkelijke hoogte is teruggebracht. Echter niet zoals vroeger gemetseld, maar in de vorm van een stalen skeletsel (kunstwerk) Zie foto..

Als ik de stad uit loop, kom ik eerst langs museum en werkplaats ‘Houtstad IJlst’, dat in 2015 is opgericht. Het museum heeft ten doel: Het verzamelen, bewaren en verspreiden van kennis van: hout en het verwerken en bewerken van hout, zulks in de breedste zin van het woord.
Daarna loop ik langs de houtzaagmolen De Rat, een achtkante stellingmolen die hier in 1828 werd gebouwd. Oorspronkelijk stond De Rat in de Zaanstreek en dateert al van voor 1683. Daar was het een balkenzager. Door gebrek aan aanvoer van stammen in de 19e eeuw raakte de molen in verval. Door de burgemeester van IJlst werd de Rat aangekocht. Vanaf 1918 werd in de molen elektrisch gezaagd en de molen werd ontdaan van zijn kap. Tot 1950 werd er bedrijfsmatig gezaagd. De gemeente heeft de molen voor sloop behoed en in 1968/1967 uitwendig gerestaureerd, gebruik makend van onderdelen van andere molens. Het is een van de drie houtzaagmolens in Friesland. De anderen zijn De Jager in Woudsend en De Zwaluw in Birdaard.

Na De rat loop ik langs De Geeuw naar Sneek. Onderweg passeer ik de Terpensmole, waarover ik het volgende vond: De Terpensmole werd op Nationale Molendag 1982 officieel in gebruik gesteld aan de Alde Himdyk te Sneek. Deze van oorsprong 18e eeuwse molen stond tot 1981 in Grou bij de “Minne Finne”. De molen is sinds 1981 in bezit van de Stichting De Fryske Mole’’. Er staat ook een picknickbank, waar ik even dankbaar gebruik van maak, De Terpensmole is in ieder geval een sieraad in het landschap.

Sneek
Het is niet ver naar Sneek, maar voor ik daar ben passeer ik nog een watermolentje met vier wieken dat driftig aan het draaien is. Record staat er op, maar wat dat te betekenen heeft, heb ik niet kunnen vinden.
Daarna loop ik met enige slingers en slagen via een alternatieve route door Sneek. Ik ben hier al een paar keer doorheen gelopen ( Elfstedenpad en Groot-Frieslandpad) en omdat het Sint Odulphuspad dezelfde route volgt als het Groot-Frieslandpad, bepaal ik nu zelf mijn route. Die voert me langs de prachtige watertoren, die hier in 1908 is gebouwd in een neorenaissance-stijl. Hij heeft een hoogte van 44 meter en had een waterreservoir van 350 m³. Hij doet namelijk geen dienst meer. Want sinds 1998 wordt de toren gebruikt als kantoor.
En natuurlijk gaat mijn alternatieve route ook langs de befaamde waterpoort. Die heeft alles te maken met de geschiedenis van de stad. Maar eerst nog even het allereerste begin. Al in de Romeinse tijd was de plaats een tijdje bewoond, maar werd het daarna verlaten. Pas eind negende eeuw werd er een nederzetting gesticht aan het veenriviertje It Ges, waarna het zich snel ontwikkelde o.a. door de ontginning van veengebieden. Rond het jaar 1000 kreeg het al een houten kerkje, de voorganger van de huidige Grote- of Martinikerk. De nederzetting werd toen Ter Snake genoemd. wat gelegen op een landtong betekent.
Het is mij niet bekend of Sneek ook te lijden had van de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers (waartoe ook Sneek behoorde)maar de eerste wallen zullen eind 13e eeuw niet voor niets aangelegd zijn. Maar de bedreiging kwam niet alleen van buiten, want in 1295 woedde er een grote stadsbrand. Slechts twee panden in de omgeving van de Marktstraat bleven onbeschadigd. De brand trof ook het Oude Hospitaalklooster. Het gehele gebouw ging in vlammen op. Daarbij kwamen vier nonnen om het leven. Daarna heeft het trouwens nog meerdere stadsbranden gehad.
‘De ‘gouden eeuw’ van Sneek was de periode 1450 tot 1550. Het was toen een bloeiende handelsstad aan de Middelzee. Rond 1500 kreeg Sneek een stadsgracht en een stadsmuur (het had in 1456 officieel stadsrechten gekregen). De Waterpoort van 1492 en het Bolwerk zijn de enige overblijfselen van die vestingwerken en zijn dus al meer dan 500 jaar oud.
In augustus 1498 werd Sneek voor 20 maanden zelfs de hoofdstad van Friesland, toen de toenmalige stadhouder Von Schaumburg en zijn rentmeesters hun hoofdkwartier in Sneek vestigden, nadat Leeuwarden in handen van de Vetkopers was gevallen’. (En Sneek dus toen in handen was van de Schieringers. Deze hadden namelijk de hulp van Von Schaumburg ingeroepen, omdat ze het niet van de Vetkoperes konden winnen.)Ook na de ‘gouden eeuw’ bleef Sneek zich economisch ontwikkelen: Vooral de boterhandel groeide en werd de grootste van Nederland. De (boter)markt is in 1917 gesloten, waarna de handel veelal plaatsvond vanuit de zuivelfabrieken van de stad. Verder waren er vele touwslagerijen (waaronder Lankhorst), drukkerijen, verffabrieken, bouw- en machinefabrieken en scheepsbouw. Ook bevond zich sinds de vijftiende eeuw een groot aantal (circa 200) zilversmeden in de stad, die hun waren sleten aan de adel, welvarende boeren en -burgers.
Er is natuurlijk nog veel meer te vertellen, maar ik eindig maar met de uit Sneek afkomstige Pieter Sjoerds Gerbrandy (1885-1961). Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij namelijk de premier van Nederland. Hij vluchtte op 13 mei 1940 met het kabinet naar het Verenigd Koninkrijk en werd in september 1940 door koningin Wilhelmina eigenhandig tot premier benoemd in de zogenaamde Londense kabinetten. Vanuit Londen inspireerde hij met zijn kenmerkende stemgeluid tijdens uitzendingen van Radio Oranje het verzet in Nederland.
Op het Schaapmarktplein in het centrum van Sneek is een bronzen standbeeld van hem geplaatst..

Na Sneek ga ik richting Scharnegoutum en zie even later op een wandelpad dat een jongedame de keutels van haar hond aan de kant schuift. Opgeruimd staat netjes en ik loop daarna nog een poosje met haar op. Ze vertrouwt me toe dat ze al 55 jaar is, maar nog steeds aan hardlopen doet. Samen met haar man lopen ze dan met een omweg hard naar IJlst (16 kilometer) en reizen dan met de trein weer terug  Haar man is daarnaast een verwoed schaatser en is regelmatig te vinden op de Weissensee. Het zijn van die gesprekjes die het wandelen van routes nog leuker maken dan ze al zijn.
Maar na een 500 meter slaat zij rechtsaf, terwijl ik rechtdoor ga. Ik heb op het pad langs De Zwette daarna nog een minigesprekje met een oudere man, maar omdat die langzamer loopt dan ik, blijft het bij een minigesprekje.

Scharnegoutum
In Scharnegoutum kom ik over de brug over De Zwette en zie daar een beeld staan van een aantal nonnen. ‘Het is een herinnering aan het vrouwenklooster dat hier van 1233 tot 1580 (bijna 350 jaar dus) gestaan heeft. Het klooster is evenals andere klooster van grote invloed geweest op de ontwikkeling van deze regio’, staat er op een bordje.  
Hierna kom ik langs de kerk, waar net een afscheidsdienst wordt gehouden. Uit piëteit heb ik de mensen dan ook niet op de foto gezet. De kerk is vernoemd naar de beschermheilige Sint Maarten. Tot 1580 was het een katholieke kerk en werd het daarna een hervormde kerk. In 1861 is de oude kerk afgebroken en dus een nieuwe gebouwd.
Na Scharnegoutum kom ik al snel bij de spoorlijn Leeuwaren – Stavoren. Ik loop er in een rechte lijn langs en bij een huis zelfs heel dicht bij langs (zie foto). Het is dan nog een paar kilometer naar Boazum, het einddoel van vandaag. Saak heeft ons busje net buiten Boazum bij een spoorwegovergang neergezet en is getuige van een kleine verkeersopstopping als een lesauto (een vrachtautootje) het achteruitrijden daar beoefend. Dat gaat niet van harte en ook ik mag daar nog even van meegenieten.

Boazum
In Boazum zelf loop ik naar de oude romano-gotische Sint Maartenskerk. Het schip is namelijk al van de 12e eeuw en het koor en de toren van de 13e eeuw. De tufstenen toren is met bakstenen verhoogd. Omdat de ruimte er omheen beperkt is, valt het me niet mee de kerk goed op de foto te zetten. Ik heb mijn best gedaan. Na mijn bezoek aan de kerk loop ik terug naar de Waltawei, waar Saak ondertussen ons busje naar toe gereden heeft. De volgende keer wel iets meer over Boazum. Nu naar huis.

Geef gerust je reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Back to Top