5 Van Sloten naar de kruising Skouleane-Oude Balksterweg

5 Van Sloten naar de kruising Skouleane-Oude Balksterweg

1 maart 2024

5e etappe Van Sloten naar de kruising Skouleane-Oude Balksterweg (26 km)

Sloten is vanaf mijn woonplaats Oldeberkoop niet al te ver weg. Om exact acht uur zijn we vertrokken en het is nog net geen kwart voor negen als we na de gebruikelijke koffie (op de parkeerplaats aan de rondweg om Sloten) onze wandelschoenen aantrekken en de rugzak om doen. Omdat ik de vorige keer Sloten rechts heb laten liggen, lopen we eerst naar jachthaven De Lemsterpoort om daar de route van het Odulphuspad weer op te pakken.
Maar snel gaat onze wandeling door Sloten niet. Want na de jachthaven lopen we dwars door Sloten, waar heel veel te zien en te fotograferen is. We hebben dan ook wel 20 minuten werk om Sloten door te komen en ik heb alleen al van dit stadje meer dan 30 foto’s gemaakt.
De stad met nog geen 1000 inwoners heeft wel twee kerken: De protestantse laatgotische kerk met de naam Grutte Tsjerke (grote kerk) werd in 1647 gebouwd op de plaats waar daarvoor de Sint-Janskapel heeft gestaan. Daar schuin tegenover vind je de katholieke Sint-Fredericuskerk uit 1933. De kerk behoort sinds 2015 tot de Heilige Christoffel Parochie.

Zo prachtig en pittoresk het centrum van Sloten is, zo verknoeid is het beeld aan de buitenkant van de stad. Ik blijf het namelijk ontzettend jammer vinden dat men die grote veevoederfabriek daar tegen dat prachtige stadje heeft aangebouwd. Maar mij past bescheidenheid, want de fabriek is een bron van werkgelegenheid en staat daar al meer dan 130 jaar. Maar het mag duidelijk zijn, niet in deze huidige omvang.  Omdat hij zo belangrijk is toch maar even de geschiedenis van dit  beeldbepalende gebouw: ‘In 1890 kreeg J.J. Huisman vergunning om een fabriek te stichten voor de productie van kaas en boter. De fabriek kwam aan de stadsrand, buiten de oorspronkelijke wallen en aan de stadsgracht. Ten zuiden van de fabriek lag met de Langebrug de toegang tot de stad. De fabriek bouwde een goede naam op, vooral met de productie van kaas. De fabriek werd in 1933 verkocht aan de Lijempf (de  Leeuwarder IJs En Melk Producten Fabriek.). In 1955 werd de fabriek verkocht aan de CCF (de Coöperatieve Condensfabriek Friesland). Enkele jaren later werd het bedrijf omgezet tot de Centrale Veevoederfabriek Sloten. Op de gevel staat nu Trouw Nutricia en dat is volgens henzelf: Een toonaangevende internationale leverancier van soortspecifieke voeroplossingen. De voedingsconcepten, producten en kennis dragen bij aan de verhoogde productiviteit en gezondheid van dieren in alle levensfasen.
Daarmee heb ik de fabriek wel genoeg besproken.

Sloten zelf heeft een interessante geschiedenis. De stad ligt aan De Ie, die In de middeleeuwen veel langer was en de verbinding vormde tussen de voorloper van de Zuiderzee (het Almere) en de Middelzee. Pas na de Allerheiligenvloed van 1170 ontstond er een open verbinding tussen het Almere en de Noordzee en werd het de Zuiderzee.
Bij Sloten wordt De Ie gekruist door een van de oudste middeleeuwse landwegen die loopt van Duitsland naar Stavoren. Deze combinatie van water- en landwegen gaf Sloten een strategisch en economisch belangrijke positie. Het is dan ook geen wonder dat in de 13de eeuw de machtige familie Van Harinxma op die plaats een versterkt onderkomen bouwde, waardoor de hele omgeving kon worden beheerst.
In het begin van de 15de eeuw kregen de Van Harinxma’s het aan de stok met de Vetkopers (de Norbertijnen). Dit had te maken met de strijd tussen de Cisterciënzers alias Bernardijnen en de Premonstratenzers alias Norbertijnen. Twee kloosterorden die elkaar maar liefst anderhalve eeuw naar het leven stonden (tussen 1350 en 1498). Maar met hulp van de Hollandse graaf Johan van Beieren werd de aanval van de Vetkopers in 1420 afgewend. Wel moest men nu in Sloten Johan van Beieren als heer van Friesland erkennen. (Waarschijnlijk als dank daarvoor kreeg Sloten op 30 augustus 1426 stadsrechten.) .
Tijdens de Tachtigjarige Oorlog hebben de Spanjaarden in 1588 met twee bierschuiten (onder en achter de biervaten lagen Spaanse soldaten) geprobeerd de stad in te nemen. Deze ‘paard van Troje truc’ mislukte, maar twee jaar later lukte het wel om de stad in te nemen.
De stad was toen nog geen vestingstad. De vesting werd namelijk pas in de 17e eeuw ontworpen door de bekende vestingbouwer Menno van Coehoorn die in de kerk van Wyckel een praalgraf heeft.  Daarvoor was er ook wel wat aan de verdediging gedaan, want begin 15e eeuw werd de stad al versterkt met een wal en een gracht. Dan spreken we echter nog niet van een vestingstad.
Maar mede door die wal en gracht slaagde bijvoorbeeld de Saksische Zwarte Hoop er in 1516 niet in Sloten te plunderen. Voor meer details over de Zwarte Hoop, lees mijn verhaal over de tweede etappe.
Na de Tachtigjarige oorlog is de stad niet meer van strategisch belang. Alleen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bliezen de Duitsers de brug over de Ie op om de voortgang van Canadese troepen te vertragen.
De stad is tegenwoordig in trek bij watersporters en dagjestoeristen. Aan de zuidzijde van de stad is in de jaren zeventig dan ook een jachthaven aangelegd waar ook enkele watersportbedrijven zijn gevestigd. Maar daar zie je niks van als je door de stad loopt.

Na Sloten lopen we langs het Slotergat richting het Slotermeer. Helaas zit er wel 300 meter weiland tussen de Lystse Jerden (waarop we lopen) en het meer. Omdat het digitale pad er wel vlak langs loopt hadden we het kunnen proberen, maar gezien de hoeveellheid regen hebben we het maar niet geprobeerd.
In ieder geval naderen we het dorp Wyckel op een alternatieve manier. Maar net als de vorige keer loop ik er niet doorheen. (Odulphus had blijkbaar niet al te veel met Wyckel). Maar Saak wel. Zij neemt op de Menno van Coehoornweg afscheid van me en loopt via Wyckel terug naar Sloten.

Ik loop richting Bargebek, een buurtschap dat onder het dorp Wyckel valt. De naam Bargebek verwijst naar het feit dat het gebied de vorm had van een varkenssnuit (het Friese woord voor varken is baarch). Naast de prachtige oude Herberg Boswijck (nu een B&B) heeft de buurtschap zelfs een gereformeerd kerkje gehad met de naam Eben Haezer. (Dit kerkje werd in 1982 verkocht en is nu een opslagruimte.)  Omdat ik de term Eben Haezer wel kende maar niet de achtergond heb ik dat even opgezocht: ‘In het Bijbelboek 1 Samuël 7 wordt beschreven hoe de Israëlieten een overwinning behaalden op de Filistijnen. Vervolgens staat er in vers 12: Samuël nam een steen, stelde die op tussen Mizpa en Sen en hij noemde hem Eben-Haëzer, zeggende “Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen”. Soms wordt Eben-Haëzer als ‘Steen der hulp’ vertaald.’ Weer wat geleerd.
Helaas kom ik net niet langs dit kerkje, maar staat het (zag ik thuis) nog wel op de foto van de oude Herberg Boswijck. Wel kom ik in Bargebek langs een tankstation van OK met een mooie ouderwets aandoende uitstraling. Daar heb ik een duidelijke foto van kunnen maken.
Op de weg Sânmar moet ik rechtsaf een naamloos pad in. Hier ben ik eerder langs gekomen en ik weet dat ik langs een plaats kom waar men het gedachtengoed van Le Roy (bekend van de Eco-kathedraal in Mildam) in praktijk gebracht heeft. Het is niet groot maar ziet er wel prachtig uit.
Na het pad kom ik op de Vogelzangwei en moet ik aan het eind de drukke Suderséwei kruisen. Ik sta aan de ene kant en ven later een mevrouw met een fiets aan de andere kant. Als we na meer dan een minuut wachten eindelijk kunnen oversteken zeg ik “wat een drukte” tegen haar. “Zeg dat wel,” zegt de aardige dame en beide zorgen we dat we vlug aan de overkant komen.
Na een bosgebiedje loop ik even later langs het natuurterrein Slauerhoff. Een opvallende naam waar ik even iets over opgezocht heb: De naam is toevallig ontstaan omdat bij het openingsfeest een muziekgroepje veel werk van de dichter Slauerhoff speelde. Duidelijk. En je kunt er zelfs een excursie boeken.
Daarna loop ik over de Coendersingel langs het landgoed De Mottekamp, dat officieel onder Ruigahuizen valt. Ook daar kun je een excursie boeken. (Voor alle kleinschalige zaken maak ik graag wat reclame.) Door alle struiken langs de weg zie je er overigens weinig van.
Na de Coendersingel loop ik richting Balk. Maar voor ik het dorp inloop moet ik eerst nog weer de drukke Suderséwei kruisen. Gelukkig is dat dankzij een tunneltje geen enkel probleem.

Balk zelf oogt prachtig en daarom ook hier enige informatie over de plaats: Balk is ontstaan bij een eenvoudige balkbrug over de Luts, vandaar de plaatsnaam. Deze brug was zo breed als een os en werd dan ook het ossenbruggetje genoemd. De plaats komt in 1491 voor het eerst voor als Balc en hoorde aanvankelijk bij de plaats Harich. Maar het kan verkeren, want Balk heeft momenteel 10x zoveel inwoners als Harich.
In 1585 werd Balk door Spaanse soldaten uit Groningen geplunderd, zoals zo veel dorpen. (O.a. de toren van de kerk in Oldeberkoop werd in dat jaar door de Spanjaarden naar beneden gehaald.) Maar Balk kwam deze klap te boven en werd in de 18e eeuw zelfs  welvarend door de boterhandel, en in de 19e eeuw werd het dan ook een zelfstandig dorp. Dat het dorp een zekere welstand kende, blijkt wel uit het feit dat het dorp maar liefst 33 rijksmonumenten telt, waaronder veel woonhuizen en 12 gemeentelijke monumenten. Opvallende panden zijn in ieder geval het oude postkantoor uit het jaar 1878 en het raadhuis uit 1615. Dit heeft aan de voorkant een grote klok en leeuwenbeelden. Opgemerkt moet wel worden dat er door diverse restauraties weinig van het origineel is overgebleven. Toch is het oude raadhuis zo vermaard dat men in 1986 een volledige kopie heeft gebouwd in “Holland Village” in het Japanse Nagasaki.
Eind 17e eeuw vestigde zich een flink aantal hugenoten in Gaasterland. Tussen 1684 en 1721 was in Balk een Waalse kerk gevestigd. Ook zat er een Molukse gemeenschap in Kamp Wyldemerck bij Balk. Dit kamp was tussen 1954 en 1969 het enige islamitische Molukse woonoord  van Nederland. Het had zelfs een eigen moskee (de eerste moskee in Nederland met een minaret). In juni 2022 werd tijdens een veldinspectie op die oude plek de oorspronkelijke locatie van de moskee weer teruggevonden.
Op dit moment telt Balk vier kerken, die relatief jong zijn. Zo is de Hervormde kerk met de opvallende naam “It Breahûs” van 1728, de Doopsgezinde kerk van 1862 en de Katholieke kerk, de Sint Ludgeruskerk van 1883. Een tweede protestantse kerk De Paadwizer werd zelfs pas in 1982 gebouwd. Maar duidelijk moet zijn dat er voor de 18e eeuw  ook al kerken in Balk waren, die allemaal zijn afgebroken.
Gelukkig zijn er veel oude panden blijven staan en profiteert Balk, net als veel plaatsen in de zuidwesthoek, heden ten dage  van het toerisme en specifiek van het watersportgebeuren. 

Lopend langs de Luts kom ik door het centrum van Balk, waarbij ik de Sint Ludgeruskerk steeds prominent in beeld heb. Daar loop ik langs. Ook passeer ik een smal bruggetje. Een paar mensen staan er te praten en ik vraag hen of dat misschien het ossenbruggetje is. Dat is het, al moet wel aangetekend worden dat dat waarschijnlijk niet op dezelfde plaats ligt dan het oude ossenbruggetje.

Nadat ik Balk uitgebreid gefotografeerd heb, loop ik met een grote boog om het dopr heen richting Harich. Dit dorp is in feite de ‘moederplaats’ van Balk. De naam Harich zou volgens Wikipedia verwijzen naar een steenhoop die een offersteen zou zijn geweest, afgeleid van het Germaanse woord harug.
Het dorp heeft een monumentale protestantse kerk uit 1663, met een toren die deels dateert uit de 12e eeuw. Op dezelfde plek stond een katholieke kerk uit de 12e eeuw, de Heilige Laurentiuskerk.. Die is tijdens een storm grotendeels verwoest, maar de toren is overeind gebleven. Zelfs tijdens een grote brand in de kerstnacht van 1979 bleef de toren gespaard. De kerk brandde verder helemaal uit, maar gelukkig bleven de muren in tact. Hij is volledig gerestaureerd. Wat opvalt is dat de toren een gemetselde spits heeft (ook wel een helm genoemd). Zulke torens worden in Groningen Juffertorens genoemd. En verklaring van de naam kan zijn:Een juffer is een lange dennenstam, die spits toeloopt. Naar analogie hiervan hebben dit soort smalle, hoogoplopende, spits toelopende torens de naam Juffertoren gekregen’.

Na Harich kom ik door een laan die die al behoort bij het Harichsterbos. Het valt op dat (bijna) alle bossen in Gaasterland dezelfde omschrijving hebben. Ik citeer: Het Harichsterbos heeft een typische rabattenstructuur en cultuurhistorische beeldbepalende lanen. Doordat de onderliggende keileemlaag in het bos geen water doorlaat, werden er greppels gegraven voor de afwatering. De voorlaatste ijstijd heeft met zijn enorme keileemafzetting in Gaasterland nog steeds invloed op de inrichting van het landschap.

Hierna kom ik door de Starnumanbossen die grenzen aan het Lyclamabos waarover ik de vorige keer heb geschreven. Deze bossen zijn vernoemd naar de familie Star Numan. De familie bezat, evenals de aan hen verwante familie Van Swinderen, grote bosgebieden in Gaasterland voor de exploitatie van eikenhout en eikenschors. De schors werd gebruikt in de leerlooierijen. De bossen zijn sinds de jaren tachtig van de 20e eeuw in beheer bij Staatsbosbeheer, dat het westelijke deel tussen Kippenburg en Ruigahuizen tracht om te vormen tot een oerbos.

Het moet mij van het hart dat ik de route van het Sint Odulphuspad niet altijd begrijp, want na de Starnumanbossen kom ik voor de tweede keer door de Bremer Wildernis. Dit bosgebied dankt zijn naam aan de brem die hier vroeger volop groeide. Maar wat ik toen nog niet wist en nu wel is dat de hier aanwezige natuurbegraafplaats op een oude robiniaplantage is aangelegd. Over die robiniaplantages vond ik op de site van de KNNV (vereniging voor veldbiologie) nog een aardig verhaaltje: ‘Het hout van de robinia is bijzonder hard, harder dan eikenhout zelfs, en er bestonden een twintigtal jaren geleden hoge verwachtingen dat dit hout het tropisch hardhout zou kunnen vervangen. Met grootschalige aanplant in Europa en Noord-Amerika zouden zo de tropische oerwouden kunnen worden gespaard. Je kon beleggen in robiniaplantages. Die verwachtingen zijn niet uitgekomen. Het robiniahout kan maar tot drie meter worden geleverd, omdat de stammen al snel vertakken.  Er treedt veel zaagverlies op omdat het hout nogal krom is; de stam bevat veel looizuur waardoor gewone spijkers gaan roesten; de groei stopt na 40 jaar. Je ziet eigenlijk nooit dikke robinia’s. Het gevolg is dat er geen brede planken zijn te leveren. Als gevolg van dit rijtje nadelen, wordt Nederlands robiniahout nagenoeg uitsluitend als paalhout aangewend. Als laatste bijzonderheid, tenslotte is de boom giftig in alle onderdelen behalve de bloemen. Ook bij het verwerken van het hout kunnen mensen last krijgen’. In ieder geval hebben de beleggingen alleen maar verlies opgeleverd.

Hierna loop ik over het Heidepaed langs de boerderij, waar vroeger het buitenverblijf van de Van Swinderens stond. De vorige keer kwam ik hier ook langs en vergat toen een foto te maken. Dat heb ik nu wel gedaan.

Na het Lyclamabos kom ik weer langs Kippenburg, waar ik de vorige keer al uitgebreid over heb geschreven, dus dat doe ik niet weer.
Hierna kom ik door de Wyldemerk. Was dat vroeger de naam van een markt (vertaald: Wilde Markt), nu heeft het ook de betekenis van natuurgebied. In de Wyldemerk vind je het enige libellenreservaat van Europa waar maar liefst 40 verschillende soorten leven. Dat is de helft van alle in Nederland voorkomende libellensoorten. Het gebied is ontstaan na de zandwinning, voor de aanleg van de autoweg Balk-Koudum in de jaren 60. Hierna bleef er een grote ‘put’ achter en kent het gebied een groot aantal vennen en poelen. Maar die zullen ongetwijfeld al voor de zandwinning aanwezig zijn geweest.  

Nadat ik langs de Van Swinderenvaart (het verlengde van de Luts) ben gelopen, kom ik bij de grote zandwinput, waar zomers volop gerecreëerd wordt. Ik loop daar in feite tussen de  Spoekhoeksterfeart en de zandwinput door. Langs de Spoekhoeksterfeart zijn natuurlijke oevers aangelegd ‘die een beschutte leefomgeving vormen voor planten en dieren in en om het water en daarnaast de ecologische waterkwaliteit verbeteren en de biodiversiteit vergroten’. Ik neem dat graag aan.
Als ik over het bruggetje over de Spoekhoeksterfeart kom, moet ik volgens Saak nog zo’n 700 meter. Dat blijkt een stuk korter, omdat zij bij de verkeerd kruising staat. Gelukkig werken onze mobieltjes nog en na een telefoontje zie ik al snel dat ons busje er aan komt hobbelen. Een vriendelijke in zichzelf pratende man op een fiets (ik ben hem de vorige keer ook al tegen gekomen en vandaag wel tweemaal) stopt als Saak ons busje keert. Ik bedank hem daarna voor de hulp en dat wordt gewaardeerd. Luid groetend zwaait hij ons uit.  

Geef gerust je reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Back to Top